Uit LIBER QUARTUS

Dood van Cadmus

Ino's vader, Cadmus, wist nog niet dat Ino en zijn kleinzoon zeegoden waren geworden. Door verdriet verscheurd en zwaar getekend door al de rampen en verschrikkingen die hij had moeten meemaken, trok hij uit Thebe weg alsof het de stad en niet het lot was geweest waardoor zijn leven verwoest was.

De stichter van de stad trok weg en na langdurig zwerven in ballingschap bereikte hij, samen met zijn vrouw, Illyrië. En toen zij daar, gekromd door ouderdom en ellende, spraken over het verleden en zich al hun leed herinnerden, zei Cadmus: "Was die draak soms heilig, die door mijn jachtspies aan zijn einde kwam toen ik lang geleden uit Sidon kwam? Had ik dat wonderzaad, zijn drakentanden, niet mogen zaaien? Als de tol die ik moet betalen om zijn dood in de ogen van de goden zo hoog is, laat mij dan ook een slang worden, met mijn hele lichaam".

En na die woorden kreeg hij prompt het lichaam van een slang: hij bemerkte hoe schubben zijn sterk verharde huid inpalmden en hoe zijn lichaam donker werd met blauwe spikkels. Hij viel voorover, op zijn borst, zijn benen smolten samen tot een dunne spitse staart. Alleen zijn armen bleven over; die strekte hij wenend uit en riep - want hij had nog een menselijk gezicht: "Kom bij me, lieve vrouw! Jij, mijn arme vrouw, kom hier bij mij! Hier, raak mij aan zolang er nog iets van mij rest, neem mijn hand."

Hij wou nog meer zeggen, maar zijn tong splitste zich in twee helften en de klank die hij uitbracht, was louter gesis; een andere stem had de natuur hem niet gelaten... In diepe rouw sloeg Harmonia zich op de blote borst en riep: "Cadmus, blijf toch, maak je los uit dat slangenlijf! Waar zijn je handen, je voeten, je gezicht? Ach, alles verdwijnt terwijl ik spreek... O goden, waarom ik ook niet? Laat mij ook veranderen in zo'n slang!"

Al bij deze laatste woorden begon hij haar te likken en zocht haar liefdevolle schoot, alsof hij die nog wist liggen! Hij omhelsde haar en vlijde zich kronkelend om die vertrouwde schouders.

Alle aanwezigen, hun vrienden, werden bang, maar zij liefkoosde de slang en streelde langs zijn gladde nek. En plots waren er twee slangen, die in verenigde kronkelingen weggleden, zoekend naar een schuilplaats in het nabije bos. Ze waren niet mensenschuw, ze beten niet met gif; het waren vreedzame slangen die maar al te goed wisten hoe ze vroeger geweest waren. Toch hadden die twee nog een grote troost: hun kleinzoon, Bacchus, voor wie India geknield had en voor wie Hellas menige tempel bouwde.