Uit LIBER SEXTUS

De Lycische boeren

Een tweede verhaal over Latona's macht

Nu was men echt bang geworden; iedereen vreesde Latona's wraak en iedereen aanbad de moeder van de goddelijke tweeling. Een ramp van nu roept verhalen van vroeger op. Zo vertelde iemand een gebeurtenis van lang geleden.

"Eens waren er - in Lycië - ook boeren die Latona niet ongestraft beledigd hadden. Dit is geen bekend verhaal omdat het over simpele lieden gaat, maar het is een eigenaardig verhaal. Met mijn eigen ogen heb ik de plaats gezien - het water waar het gebeurde. Mijn oude vader had me erheen gestuurd om hele mooie runderen te gaan halen en gaf me een gids van ter plaatse mee.

Op onze tocht kwamen we voorbij een vijver met een oud, verweerd altaar waar echter duidelijk nog offers gebracht werden. Mijn gids bleef staan en riep 'Genade', wat ik, niet begrijpend, ook maar deed. Ik vroeg aan welke godheid het altaar was gewijd en mijn gids antwoordde dat het van Latona was. Toen begon hij volgend verhaal te vertellen.

'Latona baarde, tegen Juno's zin, op het toen nog drijvend Delus haar tweeling, waarbij ze steun zocht bij twee bomen, een palmboom en een olijfboom. Ze vluchtte met haar kinderen, veilig in de plooien van haar kleed gewikkeld, en kwam na een lange lijdensweg in Lycië aan, het land van de Chimaera.

Het was schroeiend warm en haar kleintjes hadden haar moedermelk tot de laatste druppel opgedronken. Toen bemerkte ze dit heldere meertje, diep in het dal. Er waren boeren aan het werk die rijshout en riet in dikke bundels bonden. Latona wandelde naar het water en wou van het koele water drinken, maar de boeren verboden het haar. Kan een godin een verbod van mensen verdragen? Ze schoot uit tegen die lomperiken.

'Durven jullie mij werkelijk water weigeren? Moet ik soms ook jullie toestemming vragen om van de lucht te ademen? Of om in de zon te lopen? Is dat alles misschien jullie persoonlijk bezit? Ik vraag jullie nog eenmaal vriendelijk: laat me rustig drinken. Ik ben moe en wil me hier verfrissen. Dit water zal me goed doen! Trouwens, jullie kunnen toch geen water ontzeggen aan mijn kinderen die ik hier bij me draag?'

Zou er iemand onbewogen kunnen blijven bij zo'n terecht verzoek? Nee toch? En toch weigerden die lompe boeren botweg haar te laten drinken, ze dreigden er zelfs mee haar weg te jagen... En ze voegden de daad bij het woord want ze gingen in het heldere water staan en woelden de modder van de bodem naar boven zodat het water ondrinkbaar werd.

Latona besloot geen woord meer vuil te maken aan de Lycische lomperds; alleen het volgende wou ze nog kwijt: 'Blijven jullie dan maar voorgoed in de modder roeren!' En de wens van de godin ging in vervulling.

De boeren plonsden onder water, doken helemaal in de modderige vijver, kwamen met hun kop of met hun neus weer boven, klommen op de oever en sprongen weer het water in. Maar ze zijn altijd even brutaal gebleven, ze maken kwakend nog altijd evenveel ruzie. Met hun opgeblazen, dikke nek onder hun kale knikker pompen ze de lelijke klanken uit hun altijd maar wijder wordende bek. Met groene rug en witte buik zie je nog steeds rondspringen in modderplassen."