Uit LIBER PRIMUS

De Gouden, Zilveren, Bronzen en IJzeren eeuw

De Gouden Eeuw

In de Gouden Eeuw leefden de "gouden" mensen: iedereen was gelukkig, eerlijk en rechtschapen; niemand kende angst of vreesde straf. Iedereen was eerlijk tegenover alleman, er zat geen kwaad in de mensen. Bijgevolg moesten er geen wetten opgesteld worden en moesten geen rechters vonnissen vellen; toch leefde iedereen veilig. Geen bomen werden omgehakt om boten te maken, die later de zee zouden bevaren om andere landen te ontdekken; iedereen was volmaakt gelukkig waar hij nu was.

Doordat overal vrede heerste, moesten er geen grachten gegraven worden om steden te versterken, geen wapenuitrusting moest gebruikt worden voor een leger. Geen akkergronden moesten worden bewerkt of geploegd, alles groeide immers vanzelf. De mensen plukten vol vreugde alle mogelijke soorten vruchten... Er was eeuwige lente waarbij zachte westenwinden waaiden over de bloemen. Nu kiemde ook het graan en schoten de halmen op over de velden die nooit bewerkt waren... Er was overvloed aan alles!
 

De Zilveren Eeuw

Toen het mooi leven verdween door de verbanning van Saturnus, brak een mindere tijd aan waarin Jupiter de macht had: de tijd van de "zilveren" mensen. Die tijd was wel slechter dan de Gouden Eeuw, maar men leefde nog altijd in vrede. De eeuwige lente werd afgewisseld door andere seizoenen; zomer, herfst en winter keerden jaarlijks terug. De heldere wolken van voordien kleurden nu grijs en donker en het werd veel kouder, de mensen moesten huizen bouwen om zich tegen de seizoenen te beschermen. Dieren moesten de mensen helpen om voedsel te bekomen omdat vruchten en graan niet meer vanzelf groeiden. Zo moesten ossen ploegen voorttrekken om de akkers te bewerken.
 

De Bronzen en de IJzeren Eeuw

Daarna kwam de derde "eeuw", de generatie van brons. Ze was ruiger dan de vorige en veel vechtlustiger, maar nog niet slecht. De laatste generatie echter was van staalhard ijzer en beoefende elke vorm van ondeugd die men zich kan indenken: in plaats van eergevoel, trouw en waarheid ontstonden listigheid en bedrog, intriges en geweld en vervloekte hebzucht.

Vroeger was de grond, net als de lucht en het zonlicht, voor iedereen die er gebruik van wou maken, nu werd de grond door landmeters lijnrecht afgepast. De aarde werd niet alleen gebruikt als bron voor voedsel, maar men waagde zich ook in de ondergrond om alles wat zich daar bevond te ontginnen, tot dicht bij de onderwereld. Men haalde ijzer boven en goud - een metaal dat aanzet tot grenzeloos kwaad. Er werden oorlogen gevoerd om het bezit van dat goud; en die oorlogen werden uitgevochten met ijzeren wapens.

Men leefde van roven: wie gastvrij was, werd bestolen door zijn gast, schoonvaders werden bestolen door hun schoonzoons. Broederliefde werd uiterst zeldzaam: een man vermoordde zijn vrouw - of andersom, stiefmoeders mengden vaalgroen gif, zonen vroegen naar de stervenskansen van hun vaders... Alle eerbied was verdwenen. Als laatste god verliet Vrouwe Justitia de aarde, die nu met misdaad besmeurd was.