Uit LIBER DECIMUS

De Cerasten

De Cerasten hadden voor hun poort een altaar staan van Jupiter, de god van de gastvriendschap. Als een vreemdeling dat rood van bloed zag staan, dacht hij dat de oorzaak daarvan offers van kalveren of schapen waren . Maar nee, het was het bloed van vreemdelingen.

Zelfs Venus wilde niets van die riten weten. Ze wilde de stad en Cyprus' land verlaten, maar ze dacht: 'Wat heeft mijn stad, wat heeft dit land misdaan? Zijn zij soms schuldig? Die barbaren moeten zelf maar boeten met hun dood of met verbanning of beter nog, met een gedaanteverwisseling; dat houdt immers het midden tussen verbanning en dood!' Haar blik bleef op de gehoornde helmen van de Cerasten rusten; plots bedacht ze dat die hoorns konden blijven en ze vormde hun krachtige lichamen om tot jonge stieren.

De onkuise dochters van Propoetis waagden het toch nog om met Venus' goddelijkheid te spotten en haar wraak, zo zegt men, maakte hen tot de eerste prostituees. Toen ze om wat ze deden geen schaamte meer voelden en niemand nog bloosde, werden zij verhard tot steen; maar een klein verschil met hoe ze waren...