Uit LIBER DECIMUS

Cyparissus

Orpheus zat in een groene vlakte; nergens in de verte kon je een plekje met schaduw bespeuren. Toen de zanger op zijn lier begon te spelen, zat hij plots in de schaduw van een van Dodona's bomen. Er kwamen nu van overal bomen; onder hen de bomengroep van de Heliaden, Daphne's laurier, een es, een steeneik waarvan de takken onder de eikels plooiden, een plataan, een ahorn met bonte kleuren en van de waterkant kwamen knotwilgen, lotusbomen, een buxusboom, hoogslanke tamarisken, een mirtestruik, een sneeuwbalstruik en zelfs klimop naar het gezang luisteren. Er waren ook nog wijnstokken, olmen, bergessen, sparren en wilde aardbeistruiken.

Tussen die menigte van bomen herkende Orpheus een kegelvormige cipres die vroeger een jonge knaap was geweest: Cyparissus, die dood Apollo werd bemind. Hoe was Cyparissus dan veranderd in een boom? De nimfen in de omgeving van Cartheia eerden een reusachtig hert met een groot gewei; zijn takken blonken als goud en aan zijn zachte hals hingen snoeren met juwelen die tot op zijn zachte vacht hingen. Aan een riempje bengelde een zilveren medaillon op zijn voorhoofd, en parels zo groot als bessen glansden langs zijn slapen. Het dier was ongelooflijk tam. Soms ging het binnen in huizen van mensen voor voedsel of om gestreeld te worden. Cyparissus, de mooiste knaap die ooit leefde op Ceos, was meer gehecht aan het dier dan om 't even wie anders. Hij was een echte vriend voor het hert. Hij verzorgde het en bracht het naar de vruchtbaarste plekjes of naar de zuiverste bronnen. Cyparissus mocht soms op de rug van het hert zitten, als een blijk van dank.

Op zekere dag in de zomer, op het heetste uur van de dag, had het vermoeide dier zich neergevlijd in het gras in de schaduw van een boom en leste daar zijn dorst. Cyparissus, jong en onvoorzichtig, zag het dier niet liggen en niets vermoedend wierp hij een speer in de richting van de plaats waar het hert zich bevond. Daarna ging Cyparissus kijken wat voor mooie buit hij misschien had getroffen, maar stelde vol afgrijzen vast dat hij zijn geliefde hert had doorboord. Langzaam zag hij uit het zwaar getroffen dier het leven wegebben....

Apollo zei tot Cyparissus dat hij niet mocht verder treuren, maar hij treurde verder. Hij smeekte de goden hem voor eeuwig te laten rouwen om zijn stervende vriend. Plots voelde hij dat zijn bloed en zijn tranen verdwenen, zijn lichaam vertoonde plots groene vlekken, zijn mooi haar veranderde in een weelderige kruin en hij kon zich niet meer bewegen. Apollo snikte en zei: "Ik zal nu altijd om jou treuren, en jij om een ander. Je zult het symbool zijn van verdriet."
  

Orpheus zingt

Zo lokte de zanger bomen naar zich toe. Hij zat te midden van viervoetige en gevleugelde dieren. Hij tastte de snaren met zijn duim af en luisterde of de vele tonen ondanks het klankverschil harmonieerden. Zo zong hij de volgende verhalen:

"Muze, mijn moeder! Mijn lied begint bij Jupiter, want alles wijkt voor Jupiter. Ik roem vaak de macht van Jupiter bij plechtig lierspel, zoals over zijn strijd tegen de Giganten en over zijn bliksemschichten. Nu ga ik minder ernstig klinken en ga ik zingen van liefde tussen goden en jongens, en van meisjes die verboden liefde koesteren en die voor hun lust gestraft zijn.