Uit LIBER UNDECIMUS

Ceyx en Alcyone

Intussen maakten Daedalions gedaanteverwisseling en wat daarna gebeurde Ceyx diep ongerust. Hij wou een orakel raadplegen - wat een mens vaak steun biedt - en daarom wou hij het heiligdom van Apollo in Clarus bezoeken: Delphi werd onveilig gemaakt door de roverstroep van Phorbas en zijn Phleghyërs. Hij bracht zijn trouwe Alcyone op de hoogte van zijn voornemen. Onmiddellijk voelde die een intense koude rilling over haar rug kruipen; ze werd lijkbleek, haar gelaat betrok en tranen biggelden over haar wangen. Driemaal wou ze iets zeggen, driemaal stokte haar stem in haar keel.

Daarna brak ze snikkend maar liefdevol in klachten uit: "Wat heb ik je misdaan, mijn liefste? Waar haal je dat idee? Waar is die liefde van jou waarvoor alles moest wijken? Kun je nu met gerust gemoed weggaan? Mij, Alcyone verlaten en ver op reis gaan? Hou je ver van mij soms meer van mij? Natuurlijk reis je ook over land en dan zal ik treuren, niet vrezen. De zee daarentegen verschrikt me, het trieste beeld van de golven...Want laatst zag ik nog het wrak van een schip, en hoe vaak las ik op een schip geen namen van vermisten! Nee! Ik sta niet toe dat je bedrieglijke hoop koestert omdat je de schoonzoon bent van Aeolus, de god die windkracht temt en golven kan kalmeren wanneer hij dat maar wil. Maar als zijn winden vrijgelaten worden en de zee beheersen, zijn ze niet te houden; al wat land is en heel de zee valt hun ten prooi; ze plagen zelfs de wolken aan de hemel en slaan er met harde botsingen vurige bliksems uit. Ik ken de winden want ik zag ze als kind in mijn vaders huis; ik zie alleen maar gevaar. Mijn lieve man, als mijn smeekbede niets uithaalt en je blijft ondanks mijn woorden vastbesloten te gaan, neem me dan mee. Dan dolen we tenminste samen rond en kan ik voelen wat ik vrees. Samen kunnen we dragen wat komt, samen kunnen we de zee trotseren..."

Alcyone maakte met haar klagende woorden indruk op haar man; zijn liefde was immers niet minder dan de hare. Maar hij wou niet van zijn voorgenomen reis afzien en evenmin Alcyone in gevaar brengen. Vandaar dat hij troostende woorden sprak om haar angst weg te nemen, maar overtuigen kon hij haar nog niet. Alleen deze woorden vermurwden haar: "Voor ons duurt elke scheiding lang, dat weten we allebei, maar ik zweer bij Lucifer, mijn vader, dat - als het lot me wil sparen - ik terug ben voor de tweede volle maan."

Na deze belofte die haar hoop gaf op een behouden vaart, beval hij snel het schip in zee te trekken en van tuig en zeilen te voorzien. Alcyone voelde, toen ze daarnaar keek, weer een rilling als kon ze in de toekomst kijken. Ze liet haar tranen stromen, omarmde Ceyx en fluisterde hem diep ongelukkig een somber vaarwel toe. Ze stortte zich languit op de grond en Ceyx mocht nog overwegen zijn vertrek uit te stellen, maar de jonge roeiers die twee rijen sterk waren, trokken de riemen steeds tot aan de borst en lieten ze met gelijke slag over de golven scheren.

Eenzaam keek ze door haar tranen op en zag ze hem op het achterdek staan. Eerst zag ze hoe haar gemaal haar met wuivende armen afscheid wenst, en ze wuifde nog terug. Toen werd ze op de kust steeds kleiner voor hem en kon ze hem ook niet meer onderscheiden. Daarom hield ze, zolang het kon, het snel verdwijnende schip in het oog. Toen ook de romp door de grote afstand onzichtbaar werd, zag ze alleen nog maar het zeil wapperen. Pas toen het zeil uit het zicht was, ging ze naar zijn lege kamer en wierp zich ongerust op het bed. Dat bed deed het verdriet van Alcyone groeien en liet haar nog meer beseffen wat ze miste.
 

Ceyx's lot

Ze waren buitengaats en de wind blies de touwen strak. De roeiers laten de riemen rusten, trokken ze in en takelden de ra naar de hoogste stand. Ze hesen het zeil om de winden beter op te vangen. Het schip sneed door het water en was al halfweg - zeker niet verder, nergens kust te zien, niet voor, niet achter - toen plots de zee tegen de avond met hoge golven en witte schuimkoppen begon te kolken en een felle storm kwam opzetten.

"De bovenra omhoog! Onmiddellijk!" bulderde de stuurman "Snel! Strijk het zeil! Binnenhalen!" Zo luidden zijn orders, maar de tegenwind overstemde zijn woorden en het beuken van de zee op de scheepswand deed elk geluid verstommen. Toch trokken ze spontaan de riemen binnen en stopten de gaten van de roeiriemen dicht; ze zorgden ervoor dat de wind geen kans meer kreeg om in het zeil te blazen. Anderen hoosden of haalden snel de ra omhoog.

Terwijl dit bijna automatisch werd gedaan, zwol het noodweer aan: van overal vielen de winden aan en zweepten boze golven op. De angstige stuurman moest toegeven dat hij niet meer wist wat goed was voor het schip; daar was geen stuwmanskracht tegen opgewassen. Alleen al het lawaai: geschreeuw van mensen, gekraak van touwen, gebeuk van golf na golf en het gedonder in de lucht. De zee verhief zich met al haar water, ze leek wel tot in de hemel te reiken en stuk te spatten op het lage wolkendek. Soms was het water zandkleurig als de boden werd omgewoeld; nu eens was het zwarter dan dat van de Styx, dan weer strekte het zich uit als een wijde, wit-bruisende vlakte.

Het schip voelde die wisselingen ook aan en leek de ene keer als van een hoge bergtop in diepe dalen neer te kijken tot in de Acheron, om daarna, neergesmakt binnen een krater van kolkend water uit helse diepten op te kijken naar de verre lucht. Telkens kreunde en kraakte het luid, wanneer de wand werd aangebeukt door de golven - even hard als wanneer een vestingmuur door een katapult of stormram wordt neergehaald. Zoals woeste leeuwen met gebalde kracht de uitdagende speren van jagers aanvallen, zo deed ook de zee: door samenspel van winden opgezweept, viel ze steeds op de scheepswand aan en torende er vaak hoog boven uit: houtpennen werden losgeslagen, balken werden uit elkaar geduwd en lieten het noodlottige water binnenstromen.

En kijk, toen stortte er uit de wolken zoveel regen neer dat je zou denken dat de lucht in het water viel of dat de opgezweepte zee tot in de hemel reikte. De zeilen waren nu doorweekt, water en hemel schenen in elkaar te lopen, aan de lucht waren geen sterren meer te zien, een blinde nacht lag over alles heen. Soms knetterde er een bliksemschicht en dat verschafte wat licht. Het water stond al hoog in het ruim van het schip en paniek overviel de opvarenden, net zoals bij een aanval op een stadsmuur een van de strijders - de moedigste van allemaal - steeds weer een aanval waagt en eindelijk zijn hoop vervult ziet (als eerste man van al die duizenden bezet hij de muur); zo deden ook de golven: wel negenmaal raakten ze de schepswand, tot een tiende, nog veel grotere vloedgolf kwam aanrollen en het schip kon binnendringen.

Aan boord voelden allen een panische angst opkomen, alweer net zoals bij een stadsmuur waar de vijand aan het graven is; daarbinnen houdt men nog even stand, maar vechtlust biedt geen uitkomst meer en de wanhoop stijgt, de dood valt aan en lijkt even vaak binnen de stad binnen te dringen als die golvenzee het schip binnendrong.
 

De mannen barstten in tranen uit, stonden als versteend en beklaagden zich om hun zeemansgraf. Ze riepen de goden aan en beloofden hen veel, ze smeekten om hulp met hun handen naar de hemel gestrekt. De ene dacht aan zijn huis met al wat hem dierbaar was en dat nu achterbleef, de andere aan zijn familie. Ceyx dacht aan Alcyone, in zijn klachten hoorde je niets anders dan haar naam. Hoewel hij naar haar verlangde, was hij toch blij dat ze er niet was.

Hij wou graag nog voor de laatste keer kijken naar zijn land, naar zijn huis, maar wist niet in welke richting: door het hevig kolken van de zee, door de schaduw van de donkere wolken die de hemel deden verdwijnen en door de inktzwarte nacht werd het zicht belemmerd. Na een krachtige, natte windvlaag braken de mast en het roer; trots om die overwinning stortte een golf, hoger dan alle andere, zich met veel geweld op het schip. De kracht was groter dan wanneer je heel de Athos-berg en de Pindus zou losrukken om ze in zee te gooien...

Door het gewicht boorde de golf het schip de diepte in zodat de meeste mannen, verpletterd door de watermassa, niet meer boven kwamen en beseften dat ze verloren waren. Anderen probeerden stukken wrakhout van het schip te grijpen. Ook Ceyx probeerde zich met zijn hand (die meer een scepter gewoon was) aan een balk vast te klemmen en schreeuwde tevergeefs om hulp naar zijn vader Lucifer, naar Aeolus, maar nog het meest van al naar Alcyone. Hij riep haar, zag haar in gedachten en vroeg de zee om zijn zielloos lichaam te dragen naar de plaats waar Alcyone op de uitkijk zou staan, opdat ze met haar lieve handen zijn lichaam zou kunnen begraven. Ronddrijvend schreeuwde hij zo vaak hij kon 'Alcyone!' en al was ze ver, zelfs onder water kon je hem horen. Toen kwam er een grote golf opzetten die hem overspoelde en deed verdrinken.

Zijn vader Lucifer kleedde zich in rouw en was daarom die nacht niet goed te zien: omdat hij de hemel nooit mocht verlaten, verborg hij zich achter dikke wolken.
 

Juno wil Alcyone op de hoogte brengen

Intussen telde Alcyone, zonder te weten wat er gebeurd was, de nachten af. Ze was al druk bezig met de kleren die straks haar man (na zijn thuiskomst) en zij zelf gingen aantrekken en verheugde zich op een thuiskomst die er nooit zou komen. Dagelijks droeg ze wierookoffers op aan alle goden en vooral aan Juno's heiligdom bewees ze eer: ze knielde voor haar altaar, biddend voor haar man die niet meer leefde, smekend dat hij ongedeerd zou thuiskomen en haar niet zou in de steek laten voor een andere vrouw; alleen de allerlaatste wens kon uitkomen...

Maar Juno kon het smeken om het leven van een dode niet langer aanzien en kon niet verdragen dat er handen van een weduwe op haar altaar lagen. Daarom riep ze Iris: "Snel, mijn trouwe bode, ga naar de god van de Slaap en meld je bij zijn paleis. Hij moet zorgen dat Alcyone droomt van de pas gestorven Ceyx en dat ze zo verneemt wat er gebeurd is." Na deze woorden kleedde Iris zich met een sluier van duizend kleuren; ze werd als een wijde boog aan de hemel zichtbaar en landde, zoals haar bevolen was, bij het huis van de god van de Slaap dat diep in nevels verzonken lag.
 

Het paleis van de Slaap

Dicht bij het land van de Cimmeriërs ligt in een verborgen dal een grot, een holle berg: dat is de diepe woning van de loom makende Slaap. De zon kan daar, of ze nu op- of ondergaat, nooit binnen schijnen. Mist en nevelslierten vormen er een troebel schemerlicht. Er is geen vroege, trotse, haan die met zijn ochtendlijk kraaien Aurora uit haar bed zingt. De stilte wordt er door geen klank van wakende honden of ganzen (die nog beter waken dan honden) verbroken. Je hoort er nooit takken die door de wind bewegen, grote of kleine dieren of stemmen van mensen: er heerst diepe rust en stilte.

Je wordt slaperig door het zachte kabbelen van het water van de Lethe dat over rollende kiezelsteentjes voortglijdt en dat diep in de rots ontspringt. Buiten de ingang van de grot ligt er een veld van papavers en ontelbare kruiden, waar de dauw brengende Nacht haar slaapdrank haalt om over duister land te sprenkelen. Je kan er nergens een deur horen knarsen of het geluid van een scharnier horen, want er is geen deur en dus ook geen deurbewaker in heel het huis van de Slaap te bespeuren. In het midden van de grot staat een bed van zwart hout, bedekt met een zwarte sprei en veren kussens, waarop de Slaap zelf lui uitgestrekt ligt te rusten. Overal om hem heen krioelen vage schimmen, in allerlei vormen, zo talrijk als halmen bij de oogst, als al de blaadjes in het bos, als zandkorrels op het strand.

Toen Iris naar binnen ging en zich een weg baande door het dromenvolk, werd de zaal van de god verlicht door de glans van haar sluierkleed. De Slaap opende moeizaam zijn ogen, zwaar van loomheid en hoewel hij niet recht kon blijven zitten en knikkebolde met zijn kin tegen zijn borst, wist hij zichzelf te vermannen. Steunend op een elleboog vroeg hij wat ze kwam doen.(want hij herkende haar).

Zij antwoordde: "O, Slaap, jij die iedereen de nodige rust geeft, jij die de zoetste bent van alle goden, jij die door je slaap de mensen vredig maakt zodat ze even hun zorgen opzij kunnen zetten, jij die hun lichaam, uitgeput van zware arbeid, doet rusten en weer de nodige krachten geeft, geef aan je droomgestalten, die bestaande wezens kunnen nadoen, de opdracht naar de stad Trachis te gaan in de gedaante van koning Ceyx en Alcyone te laten dromen over zijn schipbreuk. Juno wil dit zo." Onmiddellijk na deze boodschap vloog Iris weer weg, want ze werd moe van die sterke slaaplucht, ze voelde de slaperigheid door haar lichaam trekken en snelde huiswaarts langs de boog aan de hemel waarlangs zij was gekomen.

Dus wekte vader Slaap uit dat ontelbaar aantal dromen een van zijn zonen, de meester van de gedaantewisseling, Morpheus. Geen ander kan beter en met meer bekwaamheid iemands houding , uiterlijk, stem en manier van spreken nabootsen. Bij iedereen kiest hij de beste woorden en de passende kledij. Hij bootst alleen mensen na, terwijl een broer van hem vaak vogels, zoogdieren of adders imiteert. Deze heet bij de goden Ikelus, maar bij de mensen Phobetor. Een derde broer heet Phantasus en hij vormt zich vakkundig om tot aarde, water, steen of hout, eigenlijk tot alles wat geen ziel heeft. Zij drieën laten 's nachts aan koningen en generaals hun valse beelden zien; de andere dromen zijn voor arme mensen. Maar nu trok de Slaap zich daarvan niets aan en koos hij een van de drie uit om het bevel van Iris uit te voeren, en dat was Morpheus. Daarna werd hij alweer moe en ging weer op zijn praalbed liggen, met het hoofd diep in de kussens.
 

Morpheus' boodschap

Morpheus vloog geruisloos door het duister. In korte tijd bereikt hij de plaats in Thessalië waar de burcht van Trachis lag. Hij deed daar zijn vleugels af en nam de gedaante van Ceyx aan. Met diens houding en uiterlijk, grauw als een dode, zonder kleren aan zijn lijf, was hij vlak voor het bed van zijn arme vrouw gaan staan. Zijn baardhaar was duidelijk doorweekt en zijn natte lokken klitten in slierten aaneen door het zeewater.

Gebogen over het bed zei hij met betraande wangen: "Herken je Ceyx nog, jij arme, arme vrouw, of ben ik te veel veranderd? Kijk maar goed, dan zul je merken dat ik je man niet ben, maar wel zijn schim. Al jouw gebeden, Alcyone, mochten ons niet helpen: ik ben verdronken. Je moet niet langer op mij wachten met valse hoop! Door een nevelrijke stormwind en door harde stortvlagen werd mijn schip in het Egeïsche water gebeukt tot het brak. Terwijl ik tevergeefs jouw naam riep, werd mijn mond overspoeld door golven. Dit is geen vals gedroomde boodschap die ik jou moet brengen, je luistert niet naar vage geruchten. Ikzelf, de drenkeling, kom jou hier melden wat er met mij gebeurd is. Sta op en ween, trek je rouwkleren aan en stuur mij niet zonder een dodenklacht naar het schimmenrijk in de Tartarus!"
 

Morpheus had zijn stem vervormd tot die van Ceyx, zijn tranen leken echt en hij leek ook op Ceyx. Ze zuchtte diep en barstte in tranen uit. Toen ze hem probeerde vast te grijpen, ving ze alleen maar nevels. Ze riep: "Blijf hier! Waar ga je heen? We kunnen samen gaan!" Door haar luide stem en door de schok van zijn verschijning werd ze wakker. Ze keek eerst rond om te zien of hij er was. Er was immers al licht, dat door de slaven was aangestoken toen ze haar hoorden roepen. Toen ze Ceyx nergens vond, begon ze zichzelf te slaan en rukte haar bovenkleed aan flarden. Ze sloeg met haar vuisten op haar borst en trok, nee, rukte haar haren los.

Haar voedster vroeg wat haar zo bedroefd maakte en kreeg als antwoord: "Ik leef niet meer! Alcyone bestaat niet meer, zij stierf samen met Ceyx! Nee, probeer me niet te troosten: hij kwam om door schipbreuk. Hij stond hier voor me en toen ik hem wilde grijpen, loste hij op in de lucht. Hij was een schim, maar geen vage schim want hij leek op mijn man! Alleen had zijn stralend gelaat nu plaats gemaakt voor een bleek gezicht waarvan de haren nog druipnat jaren. Hij stond hier op deze plek, kijk dan..." (opnieuw keek ze of er nog sporen te vinden waren) "Hiervoor had ik steeds zo'n angstig voorgevoel! Ik riep nog: ga niet weg van me weg, vertrouw niet op die winden! Ach, je ben toch vertrokken en ik wou dat je mij had meegenomen. Ja, ik was beter meegegaan! Dan zou dit alles niet gebeurd zijn, dan zou de dood ons niet gescheiden hebben... Nu verga ik ook, zo ver van jou. De golfslag beukt ook mij, ik ben de prooi van de zee, ook al is er geen zee. Ik kan het niet meer aan om te leven met zo'n verdriet. Ik wil er niet tegen vechten, maar ik wil je evenmin in de steek laten. Ik zal met je meegaan. We zullen verenigd zijn door een grafschrift en niet door een urn, maar we zullen niet naast elkaar liggen in een graf. Wel zullen we door onze namen met bij elkaar verbonden blijven."

Door haar verdriet kon ze geen woord meer over haar lippen krijgen, ieder woord werd gesmoord door een snik.
 

Ceyx en Alcyone verenigd

Het was nog vroeg toen ze het huis verliet en bedroefd naar het strand ging. Ze zocht de plek op waar ze van hem afscheid had genomen. Toen ze daar een tijdje zat, zei ze plots tot zichzelf: "Hier lichtte hij het anker. Op dit strand kuste ik hem vaarwel, onze laatste kus." Terwijl ze bezig was die herinneringen op te halen, keek ze naar de zee.

Plots zag ze wat verder in het heldere water iets drijven, dat op een lichaam leek. Eerst wist ze niet wat het was, maar toen het door de golven dichterbij was gebracht, zag ze dat het inderdaad een lichaam was: een drenkeling. Plots voelde ze een schok van onheil. Zonder te weten wie er daar in het water lag, riep ze hem toe: "Wie je ook bent, wie ook je vrouw mag zijn, ik beklaag je!"

De branding bracht de man dichterbij en hoe dichter hij kwam, hoe minder ze zich kon beheersen. Ze zag de man die nu voor haar voeten was aangespoeld heel goed en herkende hem: het was haar eigen man! "Het is Ceyx!" riep ze. Ze trok aan haar haren en rukte zich de kleren van het lijf. Ze strekte beide armen bevend naar Ceyx uit en riep: "Mijn arme man, zo kom je dus bij mij terug?" Ze sprong recht en wou naar een golfbreker lopen.

Toen gebeurde er een wonder, want toen ze wou beginnen rennen, vloog ze! Wiekend door de ijle lucht met haar pas gekregen vleugels vloog ze net boven de zeespiegel, een bedroefde vogel. Terwijl ze vloog, liet ze een klaaglijk geluid horen met haar dunne bek alsof ze verdriet had. Toen streek ze neer bij het dode lichaam van haar geliefde en omhelsde hem met haar vleugels. Ze bleef hem hard en wanhopig kussen met haar snavel.

Of Ceyx dit nu voelde of het de deining van het water was die hem zijn blik deed opslaan, weet men niet precies. Maar wat men wel weet, is dat hij gevoel kreeg door het medelijden van de goden; ze veranderden hem samen met Alcyone in een ijsvogel. Hun liefde bleef bestaan, ondanks het gruwelijke lot dat elk van hen had ondergaan. Ook in de vogelwereld kun je hun liefde nog zien: ze paren, leggen eieren en Alcyone broedt zeven dagen lang op hun nest dat op het water drijft, maar alleen als er geen storm is. In die dagen blijft de zee stil, want Aeolus, de vader van Alcyone, kerkert dan de winden en gunt hun kroost een kalme zee.