Uit LIBER SEPTIMUS

Cephalus op Aegina

Een Atheens gezantschap onder leiding van Cephalus bezoekt Aegina

De vloot van Kreta was nog net vanaf Aegina's burcht zichtbaar toen er een Attisch schip, gejaagd door de wind in haar volle zeilen, naderde en aanmeerde aan de kade van de bondgenoten. Cephalus was aan boord en had orders van de stad Athene. Hoewel ze elkaar lange tijd niet hadden gezien, herkenden de zonen van Aeacus Cephalus; ze verwelkomden hem warm en brachten hem naar het paleis. De edele Athener - een opvallende verschijning met nog altijd de sporen van zijn vroegere schoonheid - trad binnen. Hij hield een olijftak, symbool van zijn stad, in de hand; als oudere was hij vergezeld door een tweetal jongemannen, Clytus en Butes (zonen uit Pallas' huis).

Zodra ze elkaar begroet hadden, bracht Cephalus zijn boodschap over: Aegeus vroeg om hulp op grond van hun verdrag en van hun voorvaderlijke rechten omdat Minos heel Achaea in z'n macht wou krijgen. Op deze boodschap die in mooie zinnen was gebracht, antwoordde Aeacus, die zwaar leunde op de scepter in zijn hand: "Je moet ons geen hulp vragen, Athene, want die kun je altijd krijgen! Nee, aarzel niet, beschouw het leger van mijn eiland en alles wat mijn rijk biedt, als het jouwe. Ik heb genoeg soldaten, altijd meer dan mijn aanvaller, en er heerst hier gelukkig al een tijd ongeremde voorspoed." "Dat blijft zo!" zei Cephalus. "Ik hoop zelfs dat je volk nog zal groeien. Ikzelf was daarnet bij m'n aankomst blij dat er zoveel jongeren mij kwamen begroeten, allemaal even knap en fris door hun leeftijd. Maar ik mis toch ook een aantal mensen die ik hier in jouw stad ontmoet heb"

Aeacus zuchtte diep; zijn stem klonk droevig toen hij antwoordde: "Die voorspoed heeft een trieste voorgeschiedenis. Ik wou dat ik dat niet moest vertellen, maar ik doe het toch. Kort gezegd is het antwoord op jouw vraag dat wie je mist in jouw herinneringen, tot as en beenderen zijn vergaan, gestorven zoals de velen in mijn rijk"
 

Koning Aeacus vertelt over de pest op het eiland Aegina

"Een gruwelijke pest kwam over ons volk; het was de wraak van Juno omdat dit land de naam van haar rivale had gekregen. Zolang het een aardse kwaal leek en de boze oorzaak van al dat lijden duister was, werd ze bestreden met geneeskust. Maar de pest was sterker en geen hulp kon baten. Eerst kwam er uit de lucht een zware nevel over de aarde en zorgde door z'n wolkendek voor een verschroeiende hitte. De maan had al viermaal die volle bol weer laten verminderen en de hete zuidenwind blies nog steeds met zijn doodzieke adem. Het staat vast dat elke bron en elk meer bezoedeld was en dat er veel duizenden adders over onbebouwd terrein rondkropen en de rivieren besmetten met hun gif.

De dood van honden, vogels, schapen, ossen en groot wild wees voor het eerst op het heersen van die plotse ziekte: bij het ploegen zag een boer, verschrikt en droef, dat zijn krachtig span het begaf en daar midden in de gleuf bleef liggen. Daarbij kwamen nog de schapen die ziek geblaat lieten horen: er vielen zomaar plukken wol uit hun vacht en hun vlees veretterde. Een eens zo vurig paard, met grote faam op de renbaan, maakte nu zijn zegepalm te schande: de oude roem vergetend wachtte het lusteloos de dood af, kreunend bij zijn voederbak. Geen varken dat nog aan vechten dacht, geen hert dat zich nog waagde aan snelle draf, geen beer viel nog een sterke kudde aan. Overal heerste zwakte. Op het land, langs de wegen en in de bossen lagen kadavers, halfvergaan, en hun stank verpestte de lucht. Ze werden - wonderbaarlijk om melden - niet door honden, roofvogels of grijze wolven aangeraakt, maar rotten uiteen en schaadden de omgeving met stinkende gassen.

Het werd nog erger toen de pest bij het arme boerenvolk toesloeg en daarna ook in de dichtbevolkte stad ging heersen: ze schroeide eerst de ingewanden, een hoogrode kleur en een zware ademhaling wezen op inwendige koorts; de tong, rauw door de koorts, zwol op, men hapte met droge mond naar lauwe wind en kreeg slechts zwaarbesmette lucht naar binnen. Geen dek of sprei, geen enkel kledingstuk verdroegen ze nog; naakt lagen ze op de vloer; toch werd hun lichaam niet koeler door de grond, de grond werd door hun lichaam warm!

En niemand kon helpen want die vreselijke ziekte velde ook dokters, de geneeskunst keerde zich tegen wie genas. Hoe dichter men een zieke vriend benaderde en hoe trouwer men hem verzorgde, des te sneller dreigde de dood. Toen de hoop op redding verdween en eindigde in sterven, volgden ze hun impulsen zonder zich te bekommeren om wat nog baatte, want er baatte toch niets meer: overal, bij bronnen, bij rivieren, bij waterputten drongen zij schaamteloos naar voren en dronken gretig, maar hun dorst verdween pas toen ze stierven. Want velen waren niet in staat om op te staan door het vele vocht dat ze gedronken hadden; ze stierven in het water waarvan anderen weer dronken! En wat een afkeer bij die sukkels voor hun bed: gekweld holden ze ervan weg, of als ze geen kracht meer hadden om nog rechtop te staan, rolden ze over de vloer en vluchtten zo hun huis uit. Iedereen dacht dat in zijn eigen huis de dood aanwezig was; de nauwe ruimte kreeg de schuld omdat men de ware oorzaak niet kende. Je kon ze half ontzield op straat zien zwerven - althans wie nog kon staan. Wie niet meer kon staan, lag huilend op de grond en wierp een uitgeputte blik in het rond met zijn laatste krachten, of hief de armen naar de sterren aan de hemel om op die plek, waar de dood hem had ingehaald, te sterven

Hoe was het mij toen te moede? Wat kon ik anders dan het leven haten en in hun ellende willen delen? In welke richting ik ook keek, overal zag ik ze liggen, als rotte appels die van de takken gewaaid zijn, als eikels rond een door de wind gebeukte stam. Zie je ginder die hoge tempel bovenaan die trappen? Dat is Jupiters eigendom. Wie heeft daar allemaal niet tevergeefs op het altaar wierook gebrand? Hoe vaak is het niet gebeurd dat daar een man of een vader tevergeefs smekende woorden prevelde voor z'n vrouw of kind, om zelf ter plaatse dood te vallen bij het altaar zonder dat Jupiter hun gebeden verhoorde? We vonden ze daar met onverbrande wierook in de hand!

Hoe vaak zijn er offerstieren bij de tempel, op het ogenblik dat de priester gebeden sprak en pure wijn tussen de horens goot, zomaar bezweken, zonder zelfs het slachtmes af te wachten! Toen ik er zelf een offer bracht aan Jupiter om voor mijn land, mijn zonen en mezelf te bidden, stootte het dier een gruwelijk geloei uit en viel plots, zonder nekslag, opzij, recht op mijn mes waarlangs een dunne bloedstraal sijpelde. Ook hun organen waren ziek, die waren niet langer een medium van godsspraak; de boze pest zat diep in hen. Ik zag mensen de doden neerwerpen voor de ingang van de tempel, zelfs vlak voor het altaar, waar de dood een nog grotere beschuldiging aan het adres van de goden vormde.

Sommige mensen knoopten zich op; zo verjoeg men met zelfmoord de angst om te sterven en liet het noodlot eigenhandig komen. Velen kregen zelfs geen fatsoenlijke begrafenis, geen uitvaart, want de stadspoort kon de stoeten niet verwerken. De doden bleven onbegraven liggen of werden op hoge brandstapels gelegd, zonder grafgeschenken, zonder eerbied; de overlevenden vochten om brandhout of gebruikten het vuur van anderen. Er waren geen tranen op het graf van de doden, nee; onbeweend dwalen nu ergens de schimmen van die mensen in het rond, van jong en oud, want nergens was er nog plaats voor een graf, nergens was er nog een boom die hout kon leveren.
 

Na de pest

Verpletterd door zoveel onheil riep ik uit: 'O Jupiter, machtige vader! Als het waar is dat jij, zoals men vertelt, het bed hebt gedeeld met Aegina, Asopus' dochter, en dus mijn echte vader bent, red dan mijn volk of laat ook mij sterven en verdwijnen onder de aarde!' Jupiter antwoordde met een bliksemflits die door een knetterende donderslag versterkt werd. 'Ik voel je macht,' zei ik, 'en bid dat je besluit mij gunstig is. Het teken dat je mij zendt, geeft me vertrouwen.'

Toevallig stond ik bij een prachtige, breedgetakte eik die gewijd was aan Jupiter. Daar op de stam zag ik een stoet mieren met graankorrels; ze duwden hun enorme vrachten met hun kopjes voort langs een paadje in de rimpelige schors. Verbaasd over hun aantal riep ik: 'Jupiter, geef mij evenveel burgers als ik hier mieren zie en bevolk mijn stad!' De hoge eik trilde, kraakte en schudde met al zijn takken zonder dat er wind was. Ik was doodsbang, mijn haar stond recht overeind. Toch kuste ik de boomstam en de grond; hoewel ik niet echt durfde te hopen, bleef diep in mijn hart mijn stille wens voortleven...

De nacht brak aan, het ogenblik waarop mensen eindelijk rust vinden na een dag vol drukte. Ik droomde; ik zag dezelfde eik voor me, met al die takken, met al die mieren die de boom tak na tak hun gang liet gaan. Ik zag hem, net als 's middags, hard schudden, waardoor dat mierenvolk met al zijn graan verstrooid werd over het omliggende veld; daar werden de mieren opeens groter en groter, stonden op, verloren hun zwarte kleur, hun schrielheid en hun mierenpootjes en namen de vorm aan van mensen. De droom eindigde en toen ik ontwaakte, vervloekte ik die mooie beelden en treurde omdat de goden me niet hielpen.

Plots viel het me op dat in het paleis geroezemoes weerklonk; het leken wel mensenstemmen en dat was ik niet meer gewend. 'Ik droom nog altijd,' dacht ik toen Telamon binnenstormde en me van bij de deur toeriep: 'Vader! Kom snel buiten kijken! Je raadt nooit wat je daar ziet!' Ik haastte me dus naar buiten en zag dezelfde mannen als ik in mijn droom had gezien; een hele rij kwam op me af en groette me als koning!

Eerst dankte ik Jupiter, dan verdeelde ik het onbewoonde land onder deze nieuwelingen en noemde hen, naar hun afkomst, Myrmidonen - Mierenzonen. Je hebt hen zelf gezien; ze bezitten nog altijd hun vroegere eigenschappen: ze zijn spaarzaam, werken hard, streven naar winst en willen wat ze winnen ook bewaren. Die mannen, in moed en leeftijd een, zullen met jou ten strijde trekken als de oostenwind, die jou voorspoed bracht, weer naar het zuiden is gedraaid."
 

De Atheense gezant Cephalus begint een lang verhaal over zijn huwelijk met Procris

Die dag vertelden zij elkaar nog veel zulke verhalen. 's Avonds aten ze een heerlijke maaltijd waarna ze genoten van een verkwikkende nachtrust. De gouden zon kwam op en nog steeds blies de oostenwind toen de zonen van Pallas bij Cephalus hun opwachting maakten; gedrieën begaven ze zich naar het paleis. Maar de koning sliep nog en dus heette Phocus, zijn jongste zoon, hen welkom, want zijn broers Peleus en Telamon waren bezig soldaten voor het leger te keuren. Hij begeleidde de Atheense gasten naar een schitterende zaal waar hij samen met hen plaats nam.

Daar viel het hem op dat Cephalus een werpspies van een onbekende houtsoort bij zich had met een gouden punt. Om het gesprek na gebruikelijke uitwisseling van beleefdheden te laten vlotten zei Phocus: "Vaak zwerf ik door het bos omdat ik hou van jagen, maar toch weet ik niet precies van welk hout je speer is gemaakt. Het is geen essenhout, dan zou de kleur veel lichter zijn; als het kornoeljehout was, dan zou je knoesten moeten zien. Wat het dan wel is, weet ik niet, maar ik heb nog nooit een mooier wapen dan die speer van jou gezien." Een van de zonen van Pallas zei: "Het is inderdaad een prachtstuk en de trefkracht zal je bewondering voor het wapen nog doen stijgen, want het mist zijn doel nooit, zijn vlucht is nooit lukraak en het komt uit zichzelf bebloed en wel terug ook!" Phocus wilde er nu alles van weten: bestond er dan zo'n wapen? Was het soms een geschenk? Wie gaf zoiets moois? En Cephalus vertelde dat wat hij dacht te mogen vertellen, maar zei niet hoeveel leed de speer hem berokkend had... In zijn droefheid om de dood van zijn vrouw begon hij het verhaal in tranen: "Ach, Phocus, godenzoon, wie zou geloven dat dit wapen mij treurig stemt, en dat dit zo zal blijven zolang het lot mij in leven laat? Het heeft mij en mijn lieve vrouw alleen maar ongeluk gebracht. Had ik het ding maar nooit gekregen!

Mijn vrouw was Procris, Orithyia's zuster, wiens naam je wellicht bekender in de oren klinkt omdat Orithyia ooit geschaakt werd. Als je de schoonheid en het karakter van de zusters echter vergelijkt, was Procris meer het schaken waard! Haar vader was Erechtheus; hij gaf haar aan mij en ik gaf haar mijn liefde. Mijn geluk leek groot en was dat ook. Maar de goden lieten mij niet toe gelukkig te zijn, anders was ik nu nog gelukkig geweest, denk ik...

Een maand na ons huwelijk, toen ik op een ochtend mijn netten uitzette voor de hertenjacht, merkte de in saffraan geklede Aurora mij op - heel vroeg - van op de altijd bloeiende Hymettus. Ze had net de duisternis verjaagd en trok me ongevraagd mee. Laat de godin niet boos zijn als ik eerlijk spreek: al was haar roze aanschijn opvallend mooi, al heerst zij in het schemergebied tussen dag en nacht, al voedt zij zich met nectardruppels, ik hield enkel van Procris, zij alleen was in mijn hart en ik sprak voortdurend over haar. Ik bleef Aurora maar herhalen dat ik trouw bleef aan mijn liefde voor Procris. Aurora was beledigd en riep: 'Zwijg, stuk ondank! Hou je Procris, maar je zult er spijt van krijgen, dat kan ik je wel voorspellen!' Woedend liet ze me gaan...

Toen ik op weg was naar huis, drong de betekenis van haar woorden tot me door en ik kreeg een bang vermoeden dat mijn vrouw haar huwelijkstrouw geschonden had. Haar jeugd en schoonheid konden me wel doen denken aan mogelijke ontrouw, maar haar karakter niet. En toch... ik was een poos niet thuis geweest en de vrouw die ik zonet had ontmoet, was ook niet trouw...

Ach, wij minnaars zijn toch bang voor alles, is het niet? Ik nam me voor de trouw van mijn vrouw met geschenken op de proef te stellen. Aurora steunde mij in mijn jaloersheid en veranderde mijn uiterlijk. Zo keerde ik terug naar Athene en onherkenbaar betrad ik mijn huis. Er was geen spoor van kwaad in dat huis, enkel ongerustheid omdat ik nog niet van de jacht was teruggekeerd. Pas na talloze leugens werd ik bij Procris toegelaten.

Toen ik haar zag, bevroor ik. Bijna gaf ik mijn plan om haar te verleiden op; het kostte mij al moeite om de waarheid niet te vertellen en om haar niet te kussen, wat ik in normale omstandigheden wel had gemogen! Procris was bedroefd, maar in haar droefheid was ze mooier dan om het even welke andere vrouw: verdrietig zat ze naar mij te verlangen. Phocus, stel je eens voor hoe mooi ze was, hoe haar droefheid haar juist aantrekkelijk maakte! Ze wees mijn verleidingspogingen af, herhaalde steeds dat er maar een voor haar was op wie zij bleef wachten en dat ze, waar hij ook was, haar hart aan hem en aan hem alleen gunde. Voor ieder mens zou dat al voldoende bewijs zijn van haar trouw, maar niet voor mij; ik bood haar een fortuin voor een liefdesnacht, ik bood altijd meer en meer, tot ze ging aarzelen... Toen riep ik: 'Spijtig voor jou! Hier staat niet een minnaar maar jouw man! Ja, je bent betrapt!' Ze zweeg en vluchtte vernederd, vol schaamte het huis uit, weg van zo'n ziekelijk jaloerse man. Uit afkeer voor wat ik had gedaan, uit afschuw van alles wat man was, ging Procris zwerven door bergen en wouden, en wijdde zich aan de Diana's dienst.

Toen, in mijn eenzaamheid, voelde ik pas hoeveel ik van haar hield. Ik vroeg haar om vergiffenis, ik zei haar dat ik ook zou kunnen zwichten als ik zoveel geschenken aangeboden kreeg. Omdat ik haar dat had bekend en omdat ze voldoende wraak had genomen voor haar gekwetste gevoelens, kwam ze terug. De volgende maanden leefden we in zoete eendracht en ze schonk me zelfs een hond en deze werpspies, alsof ze zelf geen groot genoeg geschenk was voor mij. Over die hond had Diana gezegd: 'Niemand zal sneller kunnen lopen dat dit dier.' Je vraagt je misschien af wat er met de jachthond is gebeurd? Wel, ik zal je ook dat wonderbaarlijk en nooit gehoord verhaal vertellen.
 

Cephalus' tweede verhaal

Nadat Oedipus de raadsels had opgelost die niemand anders had begrepen en de duistere profetes, de sfinx, gestorven was, werd Thebe opnieuw door een plaag geteisterd. Veel boeren uit de streek waren bang voor een vos die vee verslond en zelfs mensen aanviel. We kwamen te hulp en omsingelden met een wijde jagerskring de akkers. Het dier sprong snel en licht over de valstrikken of brak dwars door de netten die we gespannen hadden. De honden werden losgelaten voor de achtervolging maar de vos schoot weg als een pijl uit een boog en liet de honden ver achter zich. Toen liet ik Laelaps, mijn hond, los. Nauwelijks had ik zijn riem gelost of niemand wist nog waar hij was. Op de grond zagen we wel sporen, maar Laelaps zelf was niet meer te zien. Hij liep snel als een speer, als een kogel die met de riem van een slinger wordt weggeschoten, als een dunne rieten pijl uit een Kretenzische boog.

Ik wandelde naar de top van een kleine heuvel en zag Laelaps en de wilde vos. De hond scheen de vos te kunnen bijten, maar deze kon steeds ontsnappen aan die beet. De vos vluchtte opzettelijk niet het wijde veld in, maar misleidde Laelaps door in bochten te rennen, wat Laelaps snelheid deed verliezen. Toch bleef hij volgen maar haalde de vos niet in, hij beet maar hapte in lucht. Ik besloot om met mijn speer de vos te doden. Terwijl ik de speer richtte en ik met mijn vingers steun wou geven aan de leren band, wendde ik mijn ogen even van de dieren af. Toen ik opnieuw keek, zag ik tot mijn grote verbazing twee stenen dieren: een dat vluchtte en een dat jaagde. Kennelijk wilden de goden dat geen van deze dieren de wedstrijd verloor."
 

Cephalus' derde verhaal

Phocus drong aan: "Maar wat is er dan gebeurd met die speer?", en Cephalus vervolgde dus zijn verhaal.

"De eerste jaren die ik met Procris mocht doorbrengen, waren gelukkige jaren. We waren beiden stapelverliefd en zorgden goed voor elkaar. Niets of niemand kon ons scheiden: zij had zelfs Jupiter niet in haar bed gewild, ik kon voor geen andere vrouw bezwijken.

Reeds in de vroege ochtend ging ik vaak op jacht met de werpspies als enig wapen, zonder drijvers, zonder helpers, zonder paarden. Toen mijn rechterarm vermoeid was van het doden van ontelbare dieren, zocht ik koele schaduw en lichte briesjes op die uit de kille dalen kwamen aanwaaien. Op hete middaguren riep ik om de Zephyrus die me rust gaf na mijn hard gezwoeg. Telkens zong ik daarbij een lied: 'Kom, mijn lieve Zephyrus, verkwik me, kom hier in mijn armen, jij, mijn liefste wens, kom, verlicht de hitte die mij schroeit, want dat kun je! Jij, mijn grote vreugde, jij koestert mij, jij geeft mij nieuwe kracht! Jij maakt dat ik naar bos en eenzaam veld verlang, jouw adem wordt gretig door mijn lippen opgevangen, steeds opnieuw!'

Maar die woorden wekten misverstand. Iemand had me horen zingen en dacht waarschijnlijk dat ik met de naam Zephyrus een nimf riep. Die persoon liep meteen naar Procris en vertelde haar wat haar geliefde had gezongen; en je weet hoe lichtgelovig liefde is... Toen Procris dat gehoord had, viel ze in zwijm en toen ze weer was bijgekomen, noemde zij haar lot onbillijk: bedroefd klaagde ze over mijn ontrouw. Door die valse beschuldiging vreesde zij iets dat niet bestond, was ze bang voor een naam en huilde ze diepbedroefd, als bestond er echt een mededingster. Toch dacht ze nog dat ze zich kon vergissen en ze wou geen vonnis vellen voor ze zelf had gezien wat ik deed.

De volgende dag trok ging ik opnieuw de bergen in om te gaan jagen. Na een mooie vangst strekte ik me uit en zong: 'Kom, Zephyrus! Troost mij na mijn arbeid!' Opeens hoorde ik een gerucht maar ik zong verder: 'Kom hier, mijn liefde!' maar weer onderbrak een geluid mijn gezang. Snel wierp ik mijn speer in de richting van het geluid… Het was Procris, en ze was dodelijk getroffen, midden in de borst.

Toen ik haar stem herkend had, rende ik op het geluid af. Bijna gek van angst vond ik haar nog in leven, maar haar kleed was al doordrenkt van het bloed. Ze trachtte de spies nog los te trekken uit de wonde. Ik tilde haar lichaam, dat me meer dan het mijne lief was, zachtjes in mijn armen op. Zwak en stervend bracht ze nog enkele zinnen uit: 'Ik smeek je bij ons huwelijkswoord, bij de hemelgoden en bij de goden van de onderwereld, bij alles wat ik van jou verlangen mag, bij mijn liefde die de oorzaak van mijn dood is en die zelfs nu ik sterf, blijft leven, ik smeek je dat je ons huwelijksbed niet met Zephyrus deelt.'

Toen begreep ik dat er een naamsverwarring had plaatsgevonden en ik probeerde haar dat uit te leggen, maar ze zakte ineen; zolang ze kijken kon, keek ze me aan, haar trieste ziel richtte zich naar mij, ik ving haar laatste adem op met mijn lippen. Toen stierf ze vredig; de droefheid was bijna van haar gelaat verdwenen."

Cephalus kon zijn tranen niet bedwingen toen hij het verhaal deed van het verlies van Procris. Maar toen kwamen Aeacus en zijn twee zonen en Cephalus ontving van hen het nieuwe en goed uitgeruste leger dat hij zou nodig hebben in de strijd tegen koning Minos.