Uit LIBER DUODECIMUS

Het verhaal van Caeneus en de strijd tussen Lapithen en centauren

Na die moeizame strijd volgden vele dagen rust. In Troje en in het Griekse kamp liet men nu de wapens liggen. Wachters stonden op hun posten, even alert op de muur van Troje als bij de wallen van het Griekse leger.

Het was een feestelijke dag toen Achilles die Cycnus had verslagen, dank bracht aan Athene en een koe offerde. Hij had de ingewanden op het altaarvuur gelegd. De geur, een geschenk voor de goden, steeg ten hemel. Wat tijdens het offer niet verbrand werd, werd daarna als maaltijd opgediend. De helden op hun banken aten geroosterd vlees. De wijn nam de dorst en de zorgen weg. Daarna volgden geen citerspel, geen gezang en geen fluitspel ter ontspanning.

De helden vulden hun avond met verhalen; het gespreksonderwerp was moed. Het doet goed om eens te kunnen vertellen over avonturen die je zelf goed doorstaan hebt. Waarover kon Achilles anders spreken? Of de andere mensen met Achilles in de buurt? Vooral zijn laatste heldendaad, de overwinning op Cycnus, werd druk besproken. Iedereen vond het verbazingwekkend dat het lichaam van Cycnus met geen wapen te bevechten was, voor wonden ongevoelig bleef en gehard was tegen een zwaard. Achilles zelf en alle Grieken noemden het een wonder, tot Nestor het woord nam.

"De enige van jullie generatie die kon spotten met staal en door geen stoot te treffen was, was Cycnus. Maar ik heb ooit nog meegemaakt hoe Caeneus wel duizend wonden opliep en toch ongeschonden bleef. Deze Caeneus kwam uit Thessalië; hij heeft op de Othrys gewoond en wat hij heeft meegemaakt, lijkt des te vreemder omdat hij als vrouw ter wereld kwam…"

Zo’n rare inleiding trok ieders aandacht en men vroeg meer uitleg, zelfs Achilles: "Vertel op, Nestor, want je maakt ons allemaal nieuwsgierig en jij, de oudste van onze groep, bent wijs en een vlotte spreker. Wie was die Caeneus? Waarom was hij van geslacht veranderd? Wanneer, bij welke veldtocht of bij wat voor strijd heb je hem leren kennen? Wie versloeg hem, als hij tenminste werd verslagen?"

Toen sprak Nestor: "Ook al werkt mijn stramme ouderdom niet mee en ook al ben ik verschillende wapenfeiten allang vergeten, dit ene voorval is me altijd bijgebleven, ook al heb ik in de strijd en thuis toch heel wat beleefd… Als een man op leeftijd zich een ooggetuige van veel avonturen mag noemen, dan ben ik het wel: ik heb twee generaties overleefd, dit is mijn derde!

Koning Elatus had een dochter, Caenis, een befaamde schoonheid. Ze was het mooiste meisje van Thessalië. Ze deed in de steden in de buurt bij heel wat vrijers hoop of jaloezie leven. Ook in jouw stad Achilles, want zij was jouw landgenote. Peleus had misschien zelfs naar haar hand gedongen als hij niet al verloofd was met jouw moeder, of misschien al met Thetis was getrouwd. Maar Caenis, die afkerig stond tegenover elke huwelijksband, zwierf liever langs het stille strand.

Er wordt verteld dat ze daar overweldigd werd door de zeegod Neptunus die, uit vreugde om dit nieuwe liefdesgenot, haar een belofte deed: ‘Kies maar wat je wilt. Geen van je hartenwensen mag jou geweigerd worden.’, waarop Caenis antwoordde: ‘Ik heb na jouw geweld nog maar een verlangen, namelijk dat zoiets nooit meer kan gebeuren. Maak van mij een man en alles is vergeven…’

Deze woorden klonken al met een zwaarder stemgeluid, een mannenstem. De heerser van de diepe zee had reeds haar wens vervuld. Hij had er bovendien voor gezorgd dat zij - nee, hij - niet meer gewond kon raken en nooit door wapengeweld zou bezwijken. Verheugd om deze gunst ging hij naar huis. Hij wijdde zich daar aan mannentaken rond de Peneiusstroom van en noemde zichzelf Caeneus.

De strijd tussen Lapithen en Centauren

Peirithoüs, de zoon van Ixion, was met Hippodame gehuwd en had bij het bruiloftsmaal in zijn paleis de woeste Wolkenzonen, de Centauren, uitgenodigd. De adel van Thessalië zat er aan tafel en ik, Nestor, ook. Heel het paleis weerklonk van feestgedruis, overal hoorde je het huwelijkslied zingen. De zalen geurden van de offers. Daar kwam de bruid, omgeven door jonge en oude vrouwen. Ze was opvallend mooi... De bruidegom werd door ons geprezen om zijn geluk, iets wat ons bijna slecht bekomen was omdat de meest barbaarse van die troep Centauren, Eurytus, door de wijn en door de verschijning van de bruid in vuur en vlam geraakt was. Dubbel dronken zijn doet wellust groeien!

Eurytus stootte enkele tafels om. De gasten raakten in paniek. De jonge bruid, Hippodame, werd bij het haar getrokken en door Eurytus meegesleurd. De andere Centauren roofden ook elk een vrouw; het leek wel een stad die werd geplunderd! Vrouwengegil vulde de zalen. Wij sprongen snel te hulp, Theseus voorop. ‘Eurytus!’ schreeuwde hij, ‘wat voor dolheid bezielt je om mijn vriend Peirithoüs in mijn nabijheid te tarten? Snap je niet dat je er dan twee beledigt?’ En om dit niet voor niets te roepen sloeg de fiere held een paar opdringerige dronkaards neer en redde de vrouwen.

Eurytus zei geen woord - je kunt zo’n schurkenstreek immers niet verdedigen met woorden. Hij dreigde wel met woeste poten de tegenstander op zijn neus en heldenborst te trappen. Nu stond daar juist een groot, oud mengvat dat rijk versierd was met drijfwerk en daardoor scherp en puntig. Theseus tilde het omhoog en gooide het naar het hoofd van de Centaur.

Die sloeg achterover op de vloer waar bloed, wijn en hersens zich met elkaar vermengden. Alles gulpte hem tegelijk uit mond en wonden… Heet van woede om de dood van hun broeder schreeuwde heel die troep Centauren in koor om het hardst om wapens. Ze dronken zich met wijn nog extra moed in en begonnen de strijd. Bekers, breekbare kruiken, bolle schalen, alles vloog in het rond. Wat eens servies was, was toen goed voor moord en doodslag.

De zoon van Ophion, Amycus, was de eerste die het lef had de schatten van het huisaltaar te grijpen. Hij was ook de eerste die een luchter vol met flikkerende lampen van een plafondbalk lostrok en hoog ophief als een man die bij een offer klaarstaat om de blanke stierennek te klieven met fatale bijlslag. Dan sloeg hij de luchter stuk in het gezicht van Celadon, een van de Lapithen. Deze bleef met verminkte schedel onherkenbaar liggen. Zijn ogen puilden uit. Kaak- en jukbeen, alles was verbrijzeld. De neus zat dwars door het verhemelte …

Zijn vijand werd door Pelates van Pella neergebeukt met een afgerukte essenhouten tafelpoot. Zijn kinpunt hing op zijn borstkas. Tanden brakend in een zwarte bloedstroom, belandde hij na nog een tweede klap bij de schimmen van Hades.

Gryneus’ woeste blik viel op het rokend altaar waar hij naast stond; en hij dacht: ‘Wat houdt mij tegen om van dit ding gebruik te maken?’ en hij tilde het enorme, brandende offerblok boven zijn hoofd en wierp het tussen de Lapithen. Twee van hen doodde hij: Broteas en Orios, de zoon van Mycale, van wie men weet dat zij met toverspreuken dikwijls de maan omlaag deed komen.

‘Dat zet ik je betaald! Wacht maar tot ik een wapen vind!’ schreeuwde de Laptith Exadius, en hij vond als wapen een gewei, een offer dat hoog aan een boomtak was opgehangen. Hij boorde het breedgetakte ding in Gryneus’ ogen en stak ze uit; een oog zat aan het gewei, het andere schoot in zijn baard en bleef daar hangen in een korst van bloed.

Rhoetus, een centaur, graaide een brandende pruimentak van het altaar en hoewel hij slechts even Charaxus’ blonde haardos raakte, sloeg het vuur erin als bij droog koren en vloog zijn haar in brand; het bloed dat uit de wonde kwam, siste en knetterde vervaarlijk, net als het geluid van roodgloeiend ijzer dat de smid met gebogen tangen uit de oven haalt en onderdompelt in de spoelbak; dan sist het metaal luid en zinkt het bruisend in het lauwe water...

Ondanks de pijn sloeg de Lapith Charaxus de felle vlammen uit zijn verschroeide haren, rukte een drempel uit de vloer en tilde die tot schouderhoogte op, maar de drempel was veel te zwaar om er de vijand mee te raken en in plaats van Rhoetus te treffen, verbrijzelde Charaxus Cometes, een Lapith die naast hem stond! Rhoetus, de centaur, toonde graag zijn leedvermaak en riep Charaxus toe: ‘Ik hoop dat iedereen van jouw vrienden even goed kan vechten!’ en hij greep de nu al halfverbrande pruimentak om hem weer te treffen. Tot vier maal toe sloeg hij met luide mokerslagen op Charaxus’ hoofd zodat de stukken bot diep in de weke hersens drongen.

Na die triomf ging hij op Corythus af, een jongen die niet eens een baard kon laten groeien. Toen ook die geveld lag, riep Euager: ‘Wat voor roem verwacht jij van het doden van een kind?’ Maar Rhoetus liet hem niet uitspreken en duwde de rosse fakkel langs de open mond van Euager zijn keel in. Daarna viel hij, zwaaiend met zijn toorts boven zijn hoofd, de woeste Dryas aan. Maar bij Dryas was de afloop heel anders: terwijl Rhoetus juichte om zijn tot nu toe behaalde overwinningen, boordde Dryas hem een hete staak door zijn sleutelbeen. Rhoetus kreunde, wrikte met grote moeite de staak uit het harde bot en zette het, hevig bloedend, op een lopen.

Toen vluchtten ook de andere centauren: Orneius, Lycabas en Medon die gewond was aan zijn rechterschouder; Thaumas en Pisenor, ook Mermerus die kort tevoren nog kampioen was in het hardlopen, maar nu door een wonde niet snel kon vluchten; ook Abas, de zwijnenjager, Melaneus en Astylus, de ziener die tevergeefs de centauren de strijd had afgeraden; zelfs nu voorspelde hij nog aan de bange Nessus: ‘Blijf maar kalm, jou wacht de boog van Hercules!’

Ook Lycidas, Eurynomus, Imbreus of Areius ontsnapten niet aan de dood, zij vielen allen door de hand van hun tegenstander Dryas. Zelfs de vluchtende Crenaeus werd gedood door een speerpunt die hem recht tussen de ogen trof toen hij net achterom keek.

In al dat rumoer lag Aphidas ongestoord te slapen, bedwelmd door de alcohol, met een beker wijn in zijn krachteloze hand. Toen de Lapith Phorbas hem daar buiten westen op een ruige berenpels aantrof, bond hij zich de speerriem om de hand en schreeuwde: ‘Leng jij je wijn maar verder aan met water van de Styx!’ en onmiddellijk wierp hij zijn jachtspies naar de jeugdige centaur en trof hem in de hals - hij lag immers op zijn rug. Zijn dood kwam ongemerkt; uit zijn keelgat spoot donker bloed over de pels, het druppelde zelfs tot in zijn beker.

Ik zag Petraeus een zware eik uit de grond trekken: met zijn armen eromheen wrikte hij hem heen en weer en rukte de boomstam almaar losser totdat Peirithoüs een lans dwars door zijn ribben stootte en zijn zwoegende lichaam aan de boom vastpinde.

Het was door Peirithoüs’ heldenmoed - vertelt men - dat eerst Lycus viel, vervolgens Cromis, maar de zege werd nog groter toen hij daarna Dictys en Helops overwon. Bij Helops boorde zich de speer dwars door zijn beide slapen en Dictys, die was uitgegleden op een steil, smal bergpad toen hij angstig op de vlucht was voor de dreigende Peirithoüs, stortte omlaag, knakte door zijn gewicht een hoge es en werd toen door de stronk recht door het onderlijf gespietst.

Toen naderde Aphareus om wraak te nemen: hij wilde een rotsblok gooien dat hij ergens had losgewrikt, maar op dat moment kwam Theseus tussenbeide met een stuk eikenhout; hij brak Aphareus’ armen, nam niet eens de tijd of de moeite om het hulpeloze lijf af te slachtten maar sprong onmiddellijk op de nek van Biënor. Theseus duwde met zijn knieën in zijn ribben, trok zijn haardos met een hand naar zich toe en sloeg hem krachtig tegen het hoofd, tegen die mond vol dreigementen, tegen die harde slapen.

Ook Nedymnus en Lycopes werden met geweld geveld; dat lot deelden ook Hippasus (hoewel die door zijn baard beschut werd) en Ripheus, groter dan de grootste boom; zelfs Thereus, die vaak beren ging vangen in de Thessalische bergen en die, nog levend en hevig tegenspartelend, naar huis voerde, ontsnapte niet aan de woede van Theseus.

Demoleon kon al die overwinningen van Theseus niet langer aanzien en probeerde uit het dichte struikgewas met alle kracht een jarenoude pijnboom los te rukken. Toen dat niet lukte, brak hij er een stuk van af en wierp dat stuk naar Theseus’ hoofd; maar die ontweek het naderende gevaarte na een sein van Pallas - zo althans deed Pallas het verhaal... Toch kwam de boom niet doelloos neer: hij verbrijzelde de borst en linkerschouder van Crantor… Crantor was ooit, Achilles, de schildknaap van jouw vader; Amyntor, de aanvoerder van de Dolopiërs, had hem na een nederlaag als borg voor vrede aangeboden.

Toen Peleus zag hoe Crantor aan zijn vreselijke wonde bezweken was, riep hij: ‘Hier, Crantor, komt je grafgeschenk, jij die me dierbaarder was dan wie ook…’, en hij wierp met inzet van al zijn krachten zijn houten speer naar Demoleon; de speer drong in diens lichaam binnen en bleef trillend in zijn ribben steken. Demoleon trok de essenhouten schacht met veel moeite nog eigenhandig uit de wonde maar de punt bleef achter in zijn long.

Verblind door de pijn deed Demoleon een wanhopige aanval: ondanks zijn wonde steigerde hij naar zijn vijand en probeerde hem met een verschrikkelijke golf van trappen van zijn hoeven te overweldigen. Maar Peleus ving die op met zijn helm en schild dat luide, harde hoefslagen incasseerde, hij zocht dekking door dreigend met zijn wapen te zwaaien en trof de centaur met een stoot in zijn hart, dwars door de flank.

Reeds eerder had hij ook Phlegraeon en Hyles van op afstand gedood en Iphionoüs en Clanis van dichterbij. Hetzelfde lot was ook Dorylas beschoren, die om zijn hoofd een wolfsvel droeg en in zijn handen kromme rundshorens, die dropen van het bloed en die hij als wrede wapens dreigend uitstak.

Strijdlustig had ik hem al toegeroepen: ‘Kijk eens hoe snel jouw horens het verliezen van mijn stalen punt!’ en met mijn lans op hem gemikt. Hij kon niet meer opzij maar hield zijn rechterhand snel voor zijn voorhoofd om zich te beschermen; mijn lans spietste zijn hand en voorhoofd aaneen. Hij brulde en was weerloos door de pijn; toen werd hij door Peleus die vlak naast hem stond, recht in de buik gestoken. Verwilderd sprong hij weg, zijn darmen sleepten over de grond. Hij trapte in zijn eigen darmen, raakte erin verward tot hij dood neerviel met een lege buikholte.

Ook Cyllarus zou sterven ondanks zijn charme - als we van charme kunnen spreken bij een centaurenlijf... Hij had nog maar pas een goudblonde baard en zijn al even blonde haardos hing van zijn schouders tot op zijn flanken neer. Er straalde kracht uit zijn gelaat, nek, schouders, handen en bovenlijf. Zijn menselijk bovenlijf leek op een beeldhouwwerk van veel geprezen kunstenaars en ook zijn paardengedeelte was volmaakt. Als je er een hoofd en manen zou bij denken, dan had hij Castor kunnen dienen.

Hij had een rug en een sterk gespierde borst die zwarter was dan donkere pek; alleen zijn staart en poten waren wit. Er waren heel wat centaurenmeisjes die hem als man wensten, maar slechts een kreeg hem: Hylonome. Onder de centauren was niemand zo mooi als zij. Zij alleen kon Cyllarus behagen met haar zoetheid en met liefde die zij niet verborg.

Zij dirkte zich ook op, zoveel als een centaur dat kan: ze kamde haar haren glad en verfraaide zich met rozen of viooltjes. Soms deed ze dat ook met rozemarijn of ze tooide zich met kransen van blanke lelie; tweemaal daags depte ze haar wangen in de beek die hoog in het bos bij Pagasae ontspringt. Ze nam ook tweemaal een bad in de rivier en koos zich een dierenhuid uit. Er was er een die haar flatteerde en die ze over linkerheup of bovenarm liet draperen. Ze hielden zielsveel van elkaar, doolden zij aan zij door het bergland en verscholen zich in de grotten…

Zo vochten ze ook, toen ze naar het Lapithen-feest waren gekomen, samen een woeste strijd. Er kwam een speer van links, ze wist niet van wie, die Cyllarus trof, iets lager dan waar hals en borst elkaar raken. Hoewel het hart niet diep geraakt was, verkilde het. Dat deed ook zijn lijf toen hij de speer uit zijn lichaam trok. Hylonome steunde zijn stervend lichaam en legde haar hand behoedzaam op zijn wonde, haar mond tegen de zijne zodat het leven hem niet kon ontsnappen. Maar toen ze merkte dat hij dood was, riep ze iets wat mij in het rumoer ontging en wierp zichzelf op hetzelfde wapen dat hem gedood had. Stervend sloeg ze haar armen om hem heen.

Ook kan ik me de centaur Phaecomes nog voor te geest halen. Die had zes leeuwenhuiden omgedaan: de ene had hij steeds aan een volgende geknoopt om daarmee zijn mensen- en paardenlijf te bedekken. Hij wierp een boomstam die nog te zwaar zou zijn voor een dubbel ossenspan, naar Tectaphon, de zoon van Olenus, en brak zijn brede hersenpan vanaf zijn kruin. Daardoor druppelde er uit zijn mond, neusgaten, ogen en oren halfweke hersenpudding… Het leek wel vers gestolde kaas die door het vlechtwerk van een mandje sijpelde of moes die door een grote zeef geroerd wordt en door de vele gaatjes druppel voor druppel naar buiten vloeit. Maar toen Phaeocomes zijn tegenstander de wapens wou ontnemen, stak ik hem mijn zwaard diep in de buik…

Ook Chthonius en Teleboas werden door mij geveld. De een had zich gewapend met een haakse tak en de ander met een speer die mij ook raakte. Als je kijkt kun je nog de sporen zien van een oude wond. Ach, was ik toen maar uitgestuurd om Troje in te nemen! Dan had ik Hectors wapenkracht nog kunnen stuiten - als ik hem al niet verslagen had! Maar Hector bestond toen nog niet of was nog maar een knaap, en nu ben ik te oud…

Moet ik nog meer vertellen? Hoe een centaur als Pyraethus door Periphas gedood werd? Over Ampyx die zijn lans in het gezicht van Echecles boorde zonder punt eraan? Hoe Macareus een pook greep en de borst van Erigdupus trof? Ook weet ik nog hoe Nessus’ jachtspies wegvloog en bij Cymelus in de onderbuik bleef staan. En denk maar niet dat Mopsus, de zoon van Ampyx, alleen maar de toekomst kon voorspellen: het was Mopsus’ speer die het centaurenlijf van Hodites neerstak en Hodites kon niets meer zeggen want zijn tong, kin en keel waren aaneen gepind.

Caeneus deed vijf centauren vallen met zijn hakbijl: Styphelus, Bromus, Antimachus, Elymus en Pyracmus. Hun wonden herinner ik me niet, enkel hun naam en aantal. Maar dan sprong Latreus op Caeneus, met wapens die hij na het doden van Halesus van diens lijk geroofd had. Latreus was een reus van lijf en leden en ondanks zijn ouderdom en grijze strepen aan de slapen zo krachtig als een jonge man.

Hij overzag het slagveld. Zijn opvallende Macedonische wapens bestonden uit een schild en een lans. Hij reed er, steeds in dezelfde kring, dreigend mee in het rond. Hij braakte een arrogante woordenstroom uit. Hij zei: ‘Dacht je dat ik dit zou toesta, Caenis? Je blijft voor mij een vrouw en ik blijf je Caenis noemen! Dacht je nooit aan wat je voorsprong was? Aan wat er is gebeurd voordat je je het voorrecht van een valse mannenvorm liet welgevallen? Bedenk eens hoe je werd geboren en hoe je werd verkracht! Pak je klos en wolmand en wind de weefdaad om je vinger, maar doe niet mee aan een mannenstrijd.’

Terwijl hij dit riep had Caeneus hem reeds met een speer in zijn flank getroffen, pal tussen man en paard. Toen stootte Latreus, woest van de pijn, met zijn lans naar het ongehelmde hoofd van Caeneus; telkens ketste het wapen af. Dat gebeurde op het ritme van kletterende hagelstenen op een dak of kiezels die men op een tamboerijn laat dansen. Latreus kwam nog wat dichterbij, probeerde met al zijn kracht zijn zwaard diep in de harde heup van Caeneus te steken, maar het zwaard drong er niet binnen. Toen schreeuwde Latreus: ‘Toch krijg ik je! De punt is kennelijk te stomp, maar ik zal je raken met het volle blad!’

Plots hief hij het wapen schuin op en trof Caeneus schouder met een lange houw van rechts. Dat gaf een dof geluid, alsof er een blok marmer was geraakt. Een stuk van het blad van het zwaard sprong door die harde klap ver weg. Caeneus, die zijn verbaasde vijand duidelijk getoond had dat hij onkwetsbaar was, riep uit: ‘Kom op, dan laat ik jou mijn ijzer voelen!’ en stak zijn zwaard tot aan de handgreep in de flank van Latreus, roerde er blindelings mee rond en bezorgde hem daardoor van binnen wonde na wonde.

Toen stormde het hele razende centaurenvolk luid krijsend op hem af; ze troffen hem allemaal met een zwaard of een speerpunt. De speren ketsten alle af naar de grond. Bij elke slag bleef Caeneus, de zoon van Elatus, ongedeerd. Hij verloor geen druppel bloed. Dat was een wonder dat hen allen met verbijstering sloeg. Monychus riep luid: ‘Een grof schandaal! Wij zijn allen door een man verslagen en het is niet eens een echte man! Maar of hij nu een man is of niet, ons zwak verweer maakte ons tot wat hij vroeger was. Waar blijven wij eigenlijk met ons krachtig centaurenlijf? Onze natuur bracht in ons toch de sterkste levensvormen samen? Wij zijn Ixions zonen en zelfs de zonen van een godin. Ixion had namelijk de hoog getroonde Juno verleid, terwijl wij nog niet kunnen winnen van een halve man! Kom, laten we bomen, rotsen en hele bergen over hem heen rollen, dan verpletteren we die taaie ziel van hem. Laat hem maar in het hout verstikken, laat hem kwetsbaar zijn voor het gewicht!’

Terwijl hij dit zei, greep hij een boomstam vast die na het razen van een zuiderstorm was omgewaaid. Hij slingerde hem als voorbeeld naar zijn onkwetsbare vijand en in korte tijd was de bergrug van de Othrys kaal en werd ook de Pelion niet meer beschaduwd. Bedolven onder de grote stapel worstelde Caeneus wild tegen die bomenvracht en torste op zijn geharde schouders een berg van hout. Toen die dan nog hoog boven zijn mond en hoofd bleef groeien en hij niet meer kon ademen, gaf hij het eerst op, maar probeerde zich dan opnieuw te bevrijden; maar het was tevergeefs. Je zag nog een siddering, zoals bij een aardschok van een hoge berg, de Ida bijvoorbeeld. Toen was het gedaan: hij werd door de boomlawine naar de diepe Tartarus geduwd...

Mopsus vertelde een andere versie. Hij zei dat hij Caeneus uit die berg had zien vliegen naar de open lucht als een goudgevederde vogel. Hij had hem horen krijsen met schrille klanken en was hem blijven volgen met ogen vol hechte vriendschap. Hij had geroepen: ‘Caeneus, vaarwel! Jij bent de roem van ons Lapithenvolk. Eens was je onze grote held en nu ben je een vogel zonder weerga!’ Wij geloofden zijn verhaal omdat hij het was die het verteld had. Wij waren ook kwaad en droevig omdat een man gedood was door een hele troep centauren, maar we bleven onze woede koelen, vechtend, tot een deel van de centauren gedood was en de rest vluchtend in de nacht verdwenen was...

De rol van Hercules in de strijd tussen Lapithen en centauren.

Nestor sprak van de strijd tussen de Lapithen en de centauren. Maar Tlepolemus, boos dat hij zijn vader niet genoemd had, tekende bezwaar aan: "Het is merkwaardig, oude man, dat jij het roemvol aandeel van Hercules verzwijgt. Mijn vader heeft mij vaak verteld hoe hij dat wolkenvolk van centauren heeft bedwongen."

Bedroefd antwoordde Nestor: "Waarom dwing je mij die narigheid weer op te halen, de geheelde pijn opnieuw te voelen en over mijn haatgevoelens tegenover jouw vader en zijn krenkingen te spreken? Ik weet dat hij de hele wereld ongelofelijke diensten heeft bewezen – ik zou het graag ontkennen! – maar wie gaat zijn vijand prijzen? Ik breng toch ook geen loflied op Troje, zelfs niet op Hector! Jouw vader Hercules heeft ooit de muren van Messene verwoest, burchten in Elis en in Pylos onverdiend geplunderd. Hij heeft ook mijn paleis te vuur en zwaard veroverd… Zonder de anderen op te sommen die hij heeft gedood – wij, Neleus’ zoons, vormden een dubbel zestal, jong en stralend, maar heel dat dubbel zestal viel door Hercules’ geweld, alleen ik niet. Dat hij mijn broers de baas was, is op zich wel voorstelbaar, maar toch… de dood van Periclymenes was vreemd: die kon immers elke vorm aannemen die hij maar wou.

Neptunus, Neleus’ vader, had hem dat geleerd. Dus, na van alles geprobeerd te hebben, nam hij de vorm aan van de vogel die de oppergod zo dierbaar is en die vaak zijn bliksems in zijn klauwen draagt. Met zijn vogel kracht had hij Hercules’ gelaat met zijn nagels, snavel en vleugels stuk gereten. De held uit Tiryns richtte zijn boog voor een onfeilbaar schot en raakte hem, juist terwijl hij tussen hoge wolken wegvloog, in de flank waar de vleugel aan de schouder zit. Het was geen diepe wonde maar omdat de pees doorgesneden was en niet meer werkte, had hij geen kracht meer in zijn vleugels. Hij stortte hulpeloos neer, met lamme vleugels; de pijl hing losjes in zijn veren maar drong zijn lichaam binnen door de schok, dwars door zijn linkerborst en bleef midden in zijn keel steken. Zeg me, jij brave admiraal van Rhodos’ vloot, ben ik dan de man die de daden van Hercules moet verheerlijken? Mijn broederwraak bestaat alleen maar uit het niet vermelden van zijn prestaties! Mijn respect voor jou blijft echter bestaan."

Zo klonk het welbespraakte antwoord van de oude Nestor en toen de wijnkruik weer was rondgegaan, stonden zij op om van een goede nachtrust te genieten.