Uit LIBER SEXTUS

Boreas en Orithyia

Pandion sterft van verdriet en wordt opgevolgd door zijn zoon Erechtheus

Die vreselijke gebeurtenissen bespoedigden de dood van de arme Pandion, die het verlies van zijn beide dochters nooit te boven kwam. Hij kwam dus in de onderwereld voor hij een hoge leeftijd had bereikt.

Hij werd opgevolgd door Erechtheus die Athene wijs bestuurde. Hij kreeg vier zonen en vier dochters van wie er twee als even mooi beschouwd werden: Procris en Orithyia.

Cephalus - die bofkont - mocht trouwen met Procris en Boreas, de god van de noordenwind, vroeg de hand van Orithyia; maar omdat hij uit Thrakië kwam en men in Athene Tereus nog niet vergeten was, kreeg hij Orithyia niet tot vrouw.

Dat maakte Boreas woedend: "Waartoe dient dat vragen, dat smeken? Ik ben een god met tomeloze krachten, ik kan stormen ontketenen, ik kan water bevriezen, ik kan de hemel doen daveren, en ik vráág aan Erechtheus de hand van zijn dochter? Ik had hem schoonvader moeten máken!"

Dan sloeg de windgod zijn vleugels uit (als hij dat doet, voel je het waaien op aarde en trilt het zee-oppervlak); hij gleed over hoge bergtoppen naar het zuiden en greep, laag over de grond scherend, de bange Orithyia vast om met haar naar het noorden te vliegen. Daar trouwde hij met zijn felbegeerde buit.

Mettertijd kreeg Orithyia een tweeling, jongens die even knap waren als hun moeder en later vleugels kregen zoals hun vader. Want zolang ze baardeloos waren, hadden ze geen vleugels; die kregen ze pas toen ze volwassen begonnen te worden. Hun namen waren Celais en Zetes.Toen ze echte mannen waren geworden, trokken Celais en Zetes mee met de Argonauten op zoek naar het glanzend gulden vlies, ver weg ergens in het oosten, over zeeën waar nog nooit schepen hadden gevaren.