Uit LIBER DUODECIMUS

Het begin van de Trojaanse oorlog

De Grieken moeten een mensenoffer brengen

Terwijl zij daar, naar vaderlandse gewoonte, offers aan Jupiter brachten en het altaar gloeide van het vuur, zagen ze plots een donkergroene slang wegschieten in een plataan, die bij de offerplaats stond. Iedereen was ontsteld toen de slang gulzig een nest met een achttal vogeltjes erin verslond, samen met hun moeder, die rond haar arme kroost fladderde.

Calchas, die als ziener de waarheid kende, riep het volgende: "O Grieken, wees verheugd want wij zullen winnen! Troje zal vallen, maar het zal voor ons een lange strijd worden." Hij legde de negen vogels uit als oorlogsjaren; intussen was de slang, zoals hij daar in het takkengroen gekronkeld lag, versteend...

Maar de zeegod Nereus bleef hevig te keer gaan in de Griekse wateren waardoor het vertrek naar de oorlog moest worden uitgesteld. Sommigen beweerden dat Neptunus Troje wou sparen omdat hij de muren rond die stad had gebouwd, maar Calchas ontkende dat. Hij wist meer en wilde niet langer verzwijgen dat de maagdelijke godin Diana vertoornd was en alleen met maagdenbloed kon verzoend worden. Nu moest het vaderhart van Agamemnons zwichten voor zijn plicht als koning: hij moest het onschuldige bloed doen vloeien van zijn kind Iphigenia...

Toen Iphigenia daar voor het altaar stond, huilden zelfs de priesters. Dan toonde Diana zich genadig: men zei dat ze een mist vormde om in de drukte van gebed en riten het meisje te vervangen door een hert. Omdat ze zo verzoend was met een passend offer, bedaarde haar woede: de zee werd kalm. Toen voelden de duizenden schepen de wind in hun zeilen blazen en landden na veel tegenslagen eindelijk op de Trojaanse kust.

Waar Fama woont...

Er is een plaats, in het midden tussen zee, aarde en hemelbanen. Van op die plaats wordt alles opgemerkt, hoe ver of hoe afgelegen ook; daar vangen grote gewelven elk geluid op. Vrouw Fama heerst er in een paleis. Dat zij liet bouwen op het hoogste punt; er zijn ontelbare openingen die nooit met deuren afgesloten zijn. Het huis staat dag en nacht open en is geheel van brons gemaakt. Het echoot, het klinkt, het weerklinkt en het verklankt wat het ook maar hoort, nooit is het daarbinnen stil of rustig.

Toch is er geen lawaai, het is meer geruis van fluisterende stemmen, zoals de zee kan klinken als je er van ver naar luistert. Soms is het als de nagalm van een verre donder wanneer door Jupiter met donkere wolken wordt gedreund. Binnen zijn volle zalen met schimmig volk dat in- en uitloopt, en overal hangen er duizenden geruchten door elkaar, valse en ware, die onophoudelijk geroddel doet opwaaien. Een deel van hen vult holle oren met gefluisterd nieuws dat dan snel wordt doorgegeven met een groeiend aantal verzinsels. Elke nieuwe bron breidt de geruchten uit...

Fama verwittigt de Trojanen

Daar wonen lichtgelovigheid, blind misverstand, ijdele blijdschap, door angst ontketende paniek, spontaan protest en gefluister van dubieuze afkomst, en dus vrouw Fama zelf. Zij ziet alles wat zich in lucht, op zee of op aarde afspeelt. Ook verzamelt ze nieuws door heel de wereld. Fama verkondigde dat de Griekse vloot met man en macht nabij was en de gewaarschuwde Trojanen stonden gewapend klaar, waarbij de kuststrook bewaakt werd om de landing te beletten. Protesilaus was, zoals voorspeld, de eerste die sneuvelde door de speer van Hector. Zo kwam die strijd de Grieken duur te staan.