Uit LIBER TERTIUS DECIMUS

Aurora treurt om Memnon 

Aurora had geen aandacht voor het ontluisterende lot van Hecuba en Troje, ook al stond zij altijd aan de zijde van de Trojanen: eigen verdriet kwelde de godin, haar eigen rouw om het verlies van Memnon. Zij had hem voor de muur van Troje zien sterven door Achilles’ speer. Toen had ze haar glans, waarmee de vroege ochtend zich roze kleurt, verloren; daglicht ging in wolken schuil.

Toen zijn lichaam op het vuur lag om verteerd te worden, verdroeg haar moederhart die aanblik niet: met wapperend haar wierp zij zich, zonder schaamte voor haar droefheid, aan de voeten van Jupiter en sprak door tranen heen:

"Ik mag de minste zijn van allen die jouw gouden rijk bewonen, want op aarde heb ik maar heel weinig tempels, maar toch blijf ik een godin... Ik kom je niet om tempels vragen, ook niet om offerdagen met een brandend altaarvuur. Als je bedenkt hoe ik jou steeds gediend heb doordat ik met nieuw daglicht altijd weer de nacht verjaag, dan zou je mij, Aurora, wel kunnen belonen. Maar mijn groot verdriet vraagt niet om verdiende eer. Ik kom omdat ik Memnon heb verloren, die voor niets zo dapper de strijd inging ter wille van zijn oom en nu zo jong moest sterven door Achilles’ kracht. Zo wilden het de goden... Eer hem, ik smeek je, met iets wat troost brengt in de dood, en stil zijn moeders smart, o godenvader!"

Jupiter had nog niet geknikt of hoog oplaaiend vuur greep Memnon op zijn doodsbed aan; donkere rookkolommen namen het daglicht weg, zoals wanneer een brede mist wordt uitgeademd door rivieren en daar geen zonlicht doorkomt. Een zwarte aswolk zweefde omhoog, verdichtte zich tot een compacte massa die eerst vorm kreeg, daarna levenswarmte aan het vuur ontleende en door eigen lichtheid vleugels kreeg. Eerst leek het op een vogel maar al snel werd het een echte vogel, luid klapwiekend met zijn vleugels. Tegelijk klonk het geklap van talloos vele vogelzusters van dezelfde oorsprong.

Zij zwermden driemaal rond de brandstapel, driemaal klonk hun klacht eenparig door de lucht totdat zij bij de vierde ronde uiteen zwermden in twee woeste legers. Ze bevochten elkaar van links en rechts, pikten met snavels en gekromde klauwen naar borst en vleugels van de vijand en storten vervolgens neer, als laatste eer voor Memnons as; ze waren immers zijn verwanten en getuigden zo van hun ontstaan. Die plots geboren vogels werden naar hem genoemd: zij heten de Memnoniden. Telkens als de zon zijn twaalf tekens voorbij is, vechten zijn hun doodsstrijd uit, in naam van Memnon.

Toen dus het geblaf van Hecuba zo triest weerklonk, kwijnde Aurora in haar eigen leed; altijd zou ze wenen om haar zoon en die tranen zijn nog steeds de dauw op de wereld.