Uit LIBER UNDECIMUS

Apollo gaat naar Troje

Na zijn wraak op Midas verliet Apollo Tmolus' berg en vloog door heldere lucht tot bij de smalle zee van Helle, de dochter van Nepheles, en landde bij het Troje van Laomedon. Tussen de voorgebergten Sigaeum en Rhotaeum in lag er een heiligdom dat aan de Dondergod gewijd was. Vandaar zag hij hoe Laomedon de muren van het nieuwe Troje bouwde en hoe dat machtige bouwwerk moeizaam en langzaam vorderde, ten koste van een enorme krachtsinspanning. Toen deed Apollo zich voor als een sterveling en bouwde samen met Neptunus voor Troje's koning de vestingmuren op, in ruil voor goud.Toen het werk af was, ontkende koning Laomedon de afspraak: het toppunt van bedrog. "Je krijgt je straf nog!", riep de zeegod en hij jaagde grote watermassa's af op Troje's geldbeluste kusten, de akkers werden tot een immense vlakte met zeewater opgevuld; de oogst van de boeren werd vernield en elk stukje land werd overspoeld. En dat was nog lang niet alles: de koning moest nu ook nog zijn dochter Hesione afstaan aan een watermonster! Hercules redde haar uit de ketens waarmee ze aan een rots was vastgeklonken, maar toen hij de hem beloofde paarden opeiste, kreeg hij ze niet. Daarom veroverde hij het valse Troje. Telamon werd voor zijn aandeel in die strijd geëerd en kreeg daarom Hesione tot vrouw, die dus de schoonzus werd van Peleus. Deze was de vermaarde echtgenoot van Thetis, de trotse schoonzoon van Nereus en de kleinzoon van Jupiter. En ook al was dat laatste al zeldzaam voor een mens, zijn huwelijk met een godheid was uniek.