Uit LIBER TERTIUS DECIMUS

Aeneas zet koers naar het Avondland 

Aeneas verlaat Troje

Toch stond het lot niet toe dat met zijn muren ook Trojeís toekomst verloren ging; Venusí zoon Aeneas redde de Penaten en hij torste een tweede, goddelijke last eerbiedig mee: zijn vader, en ook Ascanius, zijn zoontje. Dit was alles wat Aeneas van al zijn rijkdom meenam. Hij vluchtte met zijn vloot vanuit Antandrus over zee; hij liet het misdadig strand van ThrakiŽ, dat land waar Polydorusí bloed gevloeid had, ver achter zich. Dankzij gunstige wind en gunstig tij kwam hij met zijn gezellen aan op Delos.

Anius, de koning van dat volk en tevens priester van Apollo, nam hen op in zijn paleis. Hij liet hun zijn stad zien, de vermaarde tempels en de twee Ďgeboortebomení waartegen Latona eertijds steun gezocht had toen ze beviel van Apollo en Diana. Nadat zij wierook op het vuur hadden gegooid, wijn hadden geplengd en de ingewanden van het offervee verbrand hadden zoals dat hoorde, keerden zij terug naar het paleis en genoten van Ceresí graan en Bacchusí wijn.

Toen zei de vrome Anchises: "Waarde priester van Apollo, misschien vergis ik mij, maar toen ik ooit je stad bezocht, had je een zoon en ook vier dochters, als ik me het goed herinner..." Anius knikte instemmend; zijn witte priesterlinten schudden mee. Toen zei hij droevig: "Grote held, je hebt gelijk; jij zag mij ooit als vader van vijf kinderen terwijl ik nu bijna kinderloos hier bij jou zit. Zo grillig gaat het lot met mensen om...Wat heb ik aan een zoon die ver weg is? Hij bewoont een eiland dat ook naar hem genoemd is, Andros, waar hij regeert als plaatsvervanger van zijn vader. Apollo schonk hem zienersgaven.

Een heel andere gunst schonk Bacchus aan mijn dochters, groter dan en mens bedenken of wensen kan, want alles wat door hen werd aangeraakt, veranderde in koren, in wijn of in Minervaí s olijven, en het nut van mijn meisjes was dan ook reusachtig... Toen Atreusí zoon, de vernietiger van Troje, hiervan hoorde ( bedenk dat wij op Delos een deel van de oorlogsellende hebben gekregen), liet hij de meisjes onder dwang van wapens weghalen en gaf hen bevel dat zij het Griekse leger moesten voeden door hun wonderbare gaven.

Maar mijn dochters ontsnapten, elk naar waar zij kon: twee dochters naar Euboea en de andere twee naar Andros, naar hun broer. Het Griekse leger volgde, dreigde met een aanval als hij hen niet terugzond. Mijn zoon zwichtte uit vrees: hij heeft zijn zusters aan de Griekse wraaklust uitgeleverd. Het was laf, maar ik kon het hem vergeven omdat hij geen Aeneas had of geen Hector die voor Andros kon vechten. Maar vlak voordat de boeien zich sloten rond hun polsen, hieven zij in vrijheid nog de armen naar de hemel op en riepen: ĎVader Bacchus! Bied ons hulp!í En hij hielp, als men van hulp mag spreken bij een wonderlijk verlies: want zij verloren opeens hun vorm, ik kan niet zeggen hoe, ik heb het nooit begrepen, maar de afloop is bekend: zij kregen veren en werden witte duiven, vogels van je eigen Venus..."

Nadat zij met gelijksoortige verhalen het gastmaal hadden beŽindigd, werden de tafels weggeschoven en gingen ze rusten. De dag daarop bezochten ze Apolloís orakel, dat hun aanraadde naar de kusten van AusoniŽ te gaan. De koning leidde ze uit en gaf als afscheidsgeschenken een scepter aan Anchises, een mantel en een pijlenkoker aan Aeneasí zoon en aan Aeneas zelf een mengvat dat hem ooit door een gastvriend, Therses de Thebaan, gestuurd was vanuit BeotiŽ. Alcon uit Hyle had het gemaakt en versierd met een lange serie taferelen.

Je zag een duidelijk herkenbare stad Thebe met zeven poorten die, als een titel, lieten zien om welke stad het ging. Buiten de stad wees alles op een ramp: begrafenissen, lijkverbranding, graven, vrouwen met loshangend haar en naakte boezems. Je zag ook waternimfen, huilend en klagend dat hun bronnen waren opgedroogd. Het bos was kaal; er was geen blad te zien. Geitjes knabbelen aan dorre rotsgrond.

Binnen, op de markt van Thebe, kon je Orions dochters zien: de een zou moedig een zwaard in haar ontblote hals steken, de andere verwondde zich onhandig met een scherpe weefpen... Ze stierven voor hun volk. Een bonte rouwstoet droeg hen de stad uit en onder grote belangstelling werden ze verbrand. Je zag dat uit hun as twee knapen, bekend als de Coronen, ontstonden om het geslacht te laten voortbestaan. Zij leidden de rouwstoet van hun moeders.

Dat toonden de fonkelende beelden in het oude brons; van boven had het vat een rand van gouden acanthusbladeren. Ook de Trojanen boden hun gastheer giften aan en het waren even fraaie: de priesterkoning kreeg een kist om wierook op te bergen, een schotel en een kroon; alles glansde van edelstenen en goud.

 

Aeneas vertrekt van Delos naar SiciliŽ

Ze zetten koers vanuit Delos naar Kreta; maar al snel viel het klimaat hen daar te zwaar: de Trojanen stammen immers uit het bloed van Teucer. Ze lieten de honderd steden voor wat ze waren en gingen op zoek naar AusoniŽ. Er stak een storm op die hen de verraderlijke havens van de Strophaden indreef en waar AŽllo, de harpij, Rea de stuipen op het lijf joeg.

Dolichium en Ithaka, het eiland waar die huichelaar Odysseus de macht had, waren ze al voorbij. Het door de goden zo omstreden Ambracia doemde op, Actium en het orakelland Dodona met zijn eik. Ook werd Chaonia zichtbaar, waar een grote brand de zoons van de koning der Molossen al vliegend deed vluchten. Daarop bereikten ze het eiland van de Phaeaken waar de rijkdom in de vruchten zat. Dan zagen ze Epirus en Buthrotusí stad, een tweede Troje, bestuurd door Helenus, een zoon van Priamus, de Trojaanse ziener die oprecht en trouw hen de hele toekomst voorspelde. Op grond van zijn woorden zetten ze koers naar SiciliŽ dat met drie punten naar de zee wijst: in het regenachtige zuiden ligt Pachynus, kaap Lilybaeum voelt de zwoele westenwind en Pelorus ligt naar het noorden waar de Grote Beer nooit water raakt. Hier naderde de Trojaanse vloot de kust. Door roeikracht en door de gunstige stroom bereikten zij voor de nacht het strand van Zancle.