Uit LIBER QUARTUS DECIMUS

Aeneas bij de Sibille van Cumae

Napels en het graf van Misenus, Aeneas’ scheepstrompetter en zoon van Aeolus, lagen achter hen. Ze bereikten Cumae, een kustgebied met veel meren. Daar betrad Aeneas de grot van de bijna Sibille. Met aandrang vroeg hij haar te helpen om via het Avernusmeer de schim van zijn vaders te bezoeken. Traag sloeg zij haar ogen op; ze raakte ten slotte door Apollo bezield en zei:

"Je vraagt iets groots, zoals je daden groots zijn. Met wapens heb je ons je kracht getoond in je vuur, in je vroomheid. Welnu, Trojaan, wees niet bang. Je wens zal vervuld worden: je zult het Elysium en het rijk van de doden met mij als gids aanschouwen. Ook zul je de schim van je vader ontmoeten. Voor heldenmoed staan alle wegen open."

Met die woorden wees zij hem in het bos dat aan Proserpina gewijd was, de gouden tak aan. Die moest hij van de boomstam losrukken.

Aeneas bezoekt de onderwereld. De Sibille vertelt hem van Apollo’s liefde voor haar.

Toen Aeneas die opdracht voltooid had, bezocht hij het rijk van de gevreesde Pluto. Hij zag er zijn voorvaderen en zag er ook de schim van de oude held Anchises. Ook leerde hij de wetten van de onderwereld kennen en vernam van de nieuwe strijd die hem te wachten stond. Met vermoeide stappen ging hij de weg terug. De gesprekken met zijn gids, de Sibille, deden die zware, bange tocht door het schemerduister korter lijken.

Zo zei hij: "Of jij nu zelf een godheid bent of een gunstelinge van de goden, ik vereer jou voortaan als een godin omdat ik aan jou, dat besef ik goed, mijn leven dank. Door jouw genade mocht ik de wereld van de dood bezoeken en er ook weer aan ontsnappen. Eenmaal terug op aarde zal ik een tempel aan jou wijden en jou levenslang met wierook eren."

De profetes keek naar hem om en sprak met een diepe zucht: "Neen, ik ben geen godheid en je mag een sterveling nooit danken met wierook! Vergis je niet in je onschuld! En weet dat ik het licht van de eeuwigheid had kunnen zien, als ik mijn kuisheid had geofferd aan Apollo’s liefde. Toen hij die hoop nog had en dacht dat hij mij met geschenken kon winnen, zei hij: "Zeg wat je hebben wil Sibille, je zult je wens vervuld zien", waarop ik hem een hoop zand aanwees en hem evenveel jaren te leven vroeg als al die korrels daar. Ik was dwaas, want ik vergat bij al die jaren om ook de eeuwige jeugd te vragen…

Hij gaf ze mij, hij bood mij zelfs aan om eeuwig jong te zijn, als hij, Apollo, mij meer mocht beminnen. Ik wees hem af en leid sindsdien een ongehuwd bestaan. De glans van de jeugd neemt nu ook af, een zwakke ouderdom komt bevend nader en zal nog lange tijd mijn lot zijn. Zeven eeuwen lang besta ik nu, maar om het aantal korrels vol te maken moet ik nog driemaal honderd zomers en driemaal honderd herfsten beleven. Dan komt het uur dat ik van groot heel klein zal worden. Door mijn bestaan zal mijn oud, versleten lichaam tot een nietig hoopje krimpen. Niemand zal geloven dat ik ooit werd bemind, zelfs door een god! Apollo zelf zal mij misschien niet herkennen, of hij zal ontkennen dat hij eens van mij hield. Zo anders zal ik zijn, voor niemand zichtbaar, alleen nog kenbaar aan mijn stem, mijn stem mag ik behouden…"

Aldus vertelde de Sibille, bij hun tocht omhoog; nadien dook Aeneas, de Trojaan, weer uit de onderwereld bij Cumae op. Na een gunstig offerritueel bereikte hij de kust, die toen nog niet Caieta’s naam had.