Uit LIBER DECIMUS

Venus en Adonis: einde van het verhaal

De honden joegen een zwijn uit zijn schuilplaats. Het dier wou juist ontkomen toen het in de zij werd geraakt door Adonis' speer. De ever rukte de speer snel uit de wonde. Hij stortte zich woedend op Adonis die trillend trachtte te vluchten, maar het zwijn zette zijn tanden in de buik van Adonis en liet hem stervend achter in het zand. Venus was nog op weg naar haar Tamaseense velden toen ze zijn doodsklacht hoorde en keerde onmiddellijk terug.

Zodra ze hem, dood, badend in een plas van bloed, hoog uit de lucht zag liggen, dook ze omlaag en riep verwijtend tot de Schikgodinnen: 'Jullie macht zal niet alles krijgen, mijn verdriet wordt een eerbewijs aan Adonis; jaarlijks zal jouw dood herdacht worden, een naklank van mijn klagen. Meer nog: je bloed zal tot een bloem uitgroeien.' Bij die woorden liet ze zoete nectar in zijn bloed vallen. Nog geen uur later was uit dat bloed een nieuwe bloem ontloken, rood als appels van een granaatboom. Maar die nieuwe bloem biedt korte vreugde, omdat zij, broos van bouw en kwetsbaar door haar licht gewicht, geknakt wordt door de wind, waaraan zij ook haar naam dankt: windroos.