Uit LIBER DECIMUS

Adonis

Het kind, verwerkt in ontucht, was ook in die boom verder gegroeid en zocht een manier om zich van zijn moeder te bevrijden. Haar zware buik was in de boomstam gezwollen en de last beknelde haar moederlichaam, maar ze kon haar pijn niet uiten, ook niet met kreten om Lucina te roepen. Toch leek ze op een vrouw met weeën: de gekromde boom slaakte telkens diepe zuchten en was nat van de tranen. Lucina naderde vol medelijden en troostte haar in haar pijn. Toen raakte ze haar takken aan en sprak formules van verlossing: de boom spleet open en tussen de gebarsten schors verscheen een mensenkind, een krijsend jongetje dat op een graszacht bed werd gelegd door de nimfen en werd gezalfd met zijn moeders tranen. Zelfs Vrouwe Jaloezie zou hem bewonderen. Zoals je op schilderingen naakte liefdesgodjes ziet afgebeeld, zo was hij ook; er is alleen een verschil in wat ze dragen: Adonis miste wat Amor heeft: die speelse pijlkoker…
 

Venus en Adonis: begin van het verhaal

Jaren vlogen voorbij en waren niet te stoppen; niets is immers sneller dan de tijd. Die vrucht die bij zijn zus verwekt was door zijn moeders vader en die daarna gedragen en gebaard was door een boomstam, werd al snel een beeldschoon kind. Snel ook een knaap, een man, zichzelf in schoonheid overtreffend en Venus' lieveling (een vergelding voor zijn moeders lust).

Want op een keer, toen Amor met zijn boog op Moeder Venus' schoot sprong, raakte een pijl die uitstak onbedoeld haar borst. Pijnlijk gekwetst schoof de godin haar zoontje weg, maar de wonde zat dieper dan zichtbaar was en dan zij zelf eerst had gedacht…

Betoverd door een sterveling vergat ze Cythera's strand en kwam niet naar Cyprus waar de diepe zee Paphus omspoelt, niet naar het visrijke Cnidus, niet naar Amathus' mijnen, zelfs niet naar de hemel, want Adonis was hemelser! Ze wou hem voelen, bij hem zijn. Terwijl ze zich gewoonlijk zat te koesteren in de schaduw en aan haar schoonheid poetste, zwierf ze nu rond door berg en bos en langs ruw begroeide rotsen met haar kleed, net als Diana, tot de knieën opgeschort. Ze vuurde de honden aan en jaagde op ongevaarlijke jachtbuit, pijlsnelle hazen of een hert met hoogopstaand gewei of soms ook reeën, maar sterke everzwijnen liet ze lopen, ook roofdieren ging ze uit de weg net zoals wolven of beren met hun sterke klauwen en leeuwen die belust zijn op schapenbloed. Ze raadde ook Adonis aan om op te passen, van oordeel dat zo'n raad nuttig kon zijn. 'Gebruik je kracht tegen lafaards,' zei ze, ' want tegen dapperen is dapperheid geen goed wapen. Alsjeblieft, jongen, wees niet roekeloos ten koste van mijn liefde. Jaag niet op dieren die door de natuur wapens meekregen! Jouw glorie zal dan volgens mij te duur betaald worden. Je charmes, die verblindende jeugd van jou - er is geen borstelzwijn, geen leeuw, geen enkel dier dat oog of hart daardoor laat temmen. Evers zijn fel, hun kromme slagtand flitst als een bliksemschicht en blonde leeuwen hebben een onbedwongen drift en snelheid… ik haat die diersoort!' Toen Adonis vroeg hoe dat kwam, zei ze: 'Ik zal het je vertellen, het is het oude voorbeeld van dierenwreedheid, ongelooflijk! Maar ik ben een beetje moe en het niet gewoon te jagen… Kijk, die schaduwrijke populier lacht mij wel toe. Het gras is als een bed, ik wil hier graag rusten met jou, kom…' En ze vlijde zich op de groene bodem tegen hem aan, legde haar hoofd naar achter in zijn schoot en vertelde.