Uit LIBER QUARTUS DECIMUS

Achaemenides vertelt zijn avonturen met de Cycloop 

Aldus vertelde de Sibille, bij hun tocht omhoog; nadien dook Aeneas, de Trojaan, weer uit de onderwereld bij Cumae op. Na een gunstig offerritueel bereikte hij de kust, die toen nog niet Caieta’s naam had. Daar was ook Macareus beland, na een lange lijdensweg. Hij was reisgenoot van Odysseus. Opeens herkende hij Achaemenides, die eertijds in de bergstreek rond de Etna was vermist maar nu springlevend voor hem stond. Verheugd en verbaasd terzelfder tijd zei hij: "Door welk hemels lot word je beschermd, Achaemenides? Hoe komt een Griek aan boord van een Trojaans schip en naar welk land zijn jullie op weg?"

Op deze vraag antwoordde Achaemenides, na eerst zijn ruige met stekels vastgespelde dierenvacht te hebben ingeruild voor iets normalers: "Ik mag opnieuw de bek van de Cycloop, druipend van het mensenbloed, aanschouwen, als dit schip uit Troje mij nu niet even dierbaar is als Ithaca en het schip van Odysseus; ja, nog: Aeneas eer ik als een vader en nooit zal al mijn dank voldoende zijn, wat ik ook doe. Kan ik ooit zo ondankbaar zijn om dat te vergeten? Aeneas zorgde ervoor dat ik niet in die Cyclopenbek terechtkwam. Als ik nu zou sterven, dan krijg ik tenminste een graf. Ik zal in elk geval niet in zijn buik verteren.

Wat ik voelde, afgezien van doodsangst die mij van elk gevoel beroofde, toen ik jullie over zee zag weggaan en daar achterbleef? Ik wilde gaan schreeuwen, maar vreesde dat de bruut mij zou ontdekken. Jullie schip kwam door Odysseus’ stem toch al in groot gevaar: ik zag de Cycloop een groot stuk losgerukte berg de zee in slingeren… Ik zag hoe hij telkens opnieuw, met enorme kracht enorme blokken steen wierp. Ik was doodsbangs dat het schip door de golven of de luchtdruk zou zinken, en ik vergat dat ik me niet aan boord bevond…

Daarna, toen jullie aan een gewisse dood ontsnapt waren, zwierf hij luidt jammerend door de hele streek rond de Etna. In zijn blindheid greep hij tastend naar de bomen voor zich, struikelde over rotsen, vervloekte het Griekse volk en riep terwijl hij zijn bebloede armen zeewaarts strekte: ‘O, dat het lot mij ooit Odysseus weer in handen speelt, of iemand van zijn vrienden, om mijn woede te bekoelen! Ik zal zijn vlees verslinden en met eigen hand zijn lijf levend in stukken scheuren, met zijn bloed mijn keelgat smeren, hem spartelend vermalen met mijn kaken. Pas dan zal dit blindgemaakte oog me niet meer of nauwelijks meer deren.’

Zo brieste hij maar door. Ik begon te huiveren, toen ik hem voor mij zag: dat hoofd, nog steeds met bloed bespat, die vuisten van een moordenaar, die oogkas zonder licht, dat reuzenlijf en zijn baard die stijf stond van mensenbloed… Ik zag de dood voor ogen - wat het minste was van alle kwaad - en voelde mij al in zijn greep, mijn lichaam verslonden door het zijne…

In gedachten kwam een beeld van de dag voordien voor ogen. Toen had ik gezien hoe mijn makkers met twee tegelijk, driemaal en viermaal op de grond werden gekwakt; toen had ik gezien hoe hij als een behaarde leeuw over hen heen gebogen zaten hun vlees, ingewanden, botten met wit merg en al en nog halfwarme ledematen gulzig naar binnen schrokte. Een siddering voer door mij heen, ik stond daar wit van angst. Ik zag hem weer eten en hem bloederige voedselresten uitspuwen, ja zelfs braken - stukken brood gekneed met wijn - en stelde mij in mijn ellende datzelfde lot voor…

Ik verborg me dagenlang, ik trilde bij elk gerucht; elk ogenblik was ik bang voor de dood en terzelfder tijd verlangde ik om te sterven. Ik had honger van mijn maag gevuld met eikels, gras en loof. Reddeloos en radeloos alleen, met moord en wraak voor de ogen zag ik na lange tijd een schip dat een eindje van de kust verwijderd was. Ik zwaaide met mijn armen om hulp, rende het strand op en kreeg gedaan dat ik bij Trojanen aan boord kwam, ik, een Griek! Maar, vriend, vertel me nu van jullie lot en dat van Odysseus’ mannen met wie jij de zee opging."