Uit LIBER QUARTUS DECIMUS
 

Ylien Strubbe

3 LaWi

2001-2002
 

Aeneas bij de Sibille in Cumae

Napels en het graf van Misenus, Aeneas’ scheepstrompetter en zoon van Aeolus, lagen achter hen. Ze bereikten Cumae, een kustgebied met veel meren. Daar betrad Aeneas de grot van de bijna Sibille. Met aandrang vroeg hij haar te helpen om via het Avernusmeer de schim van zijn vaders te bezoeken. Traag sloeg zij haar ogen op; ze raakte ten slotte door Apollo bezield en zei:

"Je vraagt iets groots, zoals je daden groots zijn. Met wapens heb je ons je kracht getoond in je vuur, in je vroomheid. Welnu, Trojaan, wees niet bang. Je wens zal vervuld worden: je zult het Elysium en het rijk van de doden met mij als gids aanschouwen. Ook zul je de schim van je vader ontmoeten. Voor heldenmoed staan alle wegen open."

Met die woorden wees zij hem in het bos dat aan Proserpina gewijd was, de gouden tak aan. Die moest hij van de boomstam losrukken.

Aeneas bezoekt de onderwereld. De Sibille vertelt hem van Apollo’s liefde voor haar.

Toen Aeneas die opdracht voltooid had, bezocht hij het rijk van de gevreesde Pluto. Hij zag er zijn voorvaderen en zag er ook de schim van de oude held Anchises. Ook leerde hij de wetten van de onderwereld kennen en vernam van de nieuwe strijd die hem te wachten stond. Met vermoeide stappen ging hij de weg terug. De gesprekken met zijn gids, de Sibille, deden die zware, bange tocht door het schemerduister korter lijken.

Zo zei hij: "Of jij nu zelf een godheid bent of een gunstelinge van de goden, ik vereer jou voortaan als een godin omdat ik aan jou, dat besef ik goed, mijn leven dank. Door jouw genade mocht ik de wereld van de dood bezoeken en er ook weer aan ontsnappen. Eenmaal terug op aarde zal ik een tempel aan jou wijden en jou levenslang met wierook eren."

De profetes keek naar hem om en sprak met een diepe zucht: "Neen, ik ben geen godheid en je mag een sterveling nooit danken met wierook! Vergis je niet in je onschuld! En weet dat ik het licht van de eeuwigheid had kunnen zien, als ik mijn kuisheid had geofferd aan Apollo’s liefde. Toen hij die hoop nog had en dacht dat hij mij met geschenken kon winnen, zei hij: "Zeg wat je hebben wil Sibille, je zult je wens vervuld zien", waarop ik hem een hoop zand aanwees en hem evenveel jaren te leven vroeg als al die korrels daar. Ik was dwaas, want ik vergat bij al die jaren om ook de eeuwige jeugd te vragen…

Hij gaf ze mij, hij bood mij zelfs aan om eeuwig jong te zijn, als hij, Apollo, mij meer mocht beminnen. Ik wees hem af en leid sindsdien een ongehuwd bestaan. De glans van de jeugd neemt nu ook af, een zwakke ouderdom komt bevend nader en zal nog lange tijd mijn lot zijn. Zeven eeuwen lang besta ik nu, maar om het aantal korrels vol te maken moet ik nog driemaal honderd zomers en driemaal honderd herfsten beleven. Dan komt het uur dat ik van groot heel klein zal worden. Door mijn bestaan zal mijn oud, versleten lichaam tot een nietig hoopje krimpen. Niemand zal geloven dat ik ooit werd bemind, zelfs door een god! Apollo zelf zal mij misschien niet herkennen, of hij zal ontkennen dat hij eens van mij hield. Zo anders zal ik zijn, voor niemand zichtbaar, alleen nog kenbaar aan mijn stem, mijn stem mag ik behouden…"

Aldus vertelde de Sibille, bij hun tocht omhoog; nadien dook Aeneas, de Trojaan, weer uit de onderwereld bij Cumae op. Na een gunstig offerritueel bereikte hij de kust, die toen nog niet Caieta’s naam had.

Achaemenides vertelt zijn avonturen met de Cycloop

Daar was ook Macareus beland, na een lange lijdensweg. Hij was reisgenoot van Odysseus. Opeens herkende hij Achaemenides, die eertijds in de bergstreek rond de Etna was vermist maar nu springlevend voor hem stond. Verheugd en verbaasd terzelfder tijd zei hij: "Door welk hemels lot word je beschermd, Achaemenides? Hoe komt een Griek aan boord van een Trojaans schip en naar welk land zijn jullie op weg?"

Op deze vraag antwoordde Achaemenides, na eerst zijn ruige met stekels vastgespelde dierenvacht te hebben ingeruild voor iets normalers: "Ik mag opnieuw de bek van de Cycloop, druipend van het mensenbloed, aanschouwen, als dit schip uit Troje mij nu niet even dierbaar is als Ithaca en het schip van Odysseus; ja, nog: Aeneas eer ik als een vader en nooit zal al mijn dank voldoende zijn, wat ik ook doe. Kan ik ooit zo ondankbaar zijn om dat te vergeten? Aeneas zorgde ervoor dat ik niet in die Cyclopenbek terechtkwam. Als ik nu zou sterven, dan krijg ik tenminste een graf. Ik zal in elk geval niet in zijn buik verteren.

Wat ik voelde, afgezien van doodsangst die mij van elk gevoel beroofde, toen ik jullie over zee zag weggaan en daar achterbleef? Ik wilde gaan schreeuwen, maar vreesde dat de bruut mij zou ontdekken. Jullie schip kwam door Odysseus’ stem toch al in groot gevaar: ik zag de Cycloop een groot stuk losgerukte berg de zee in slingeren… Ik zag hoe hij telkens opnieuw, met enorme kracht enorme blokken steen wierp. Ik was doodsbangs dat het schip door de golven of de luchtdruk zou zinken, en ik vergat dat ik me niet aan boord bevond…

Daarna, toen jullie aan een gewisse dood ontsnapt waren, zwierf hij luidt jammerend door de hele streek rond de Etna. In zijn blindheid greep hij tastend naar de bomen voor zich, struikelde over rotsen, vervloekte het Griekse volk en riep terwijl hij zijn bebloede armen zeewaarts strekte: ‘O, dat het lot mij ooit Odysseus weer in handen speelt, of iemand van zijn vrienden, om mijn woede te bekoelen! Ik zal zijn vlees verslinden en met eigen hand zijn lijf levend in stukken scheuren, met zijn bloed mijn keelgat smeren, hem spartelend vermalen met mijn kaken. Pas dan zal dit blindgemaakte oog me niet meer of nauwelijks meer deren.’

Zo brieste hij maar door. Ik begon te huiveren, toen ik hem voor mij zag: dat hoofd, nog steeds met bloed bespat, die vuisten van een moordenaar, die oogkas zonder licht, dat reuzenlijf en zijn baard die stijf stond van mensenbloed… Ik zag de dood voor ogen - wat het minste was van alle kwaad - en voelde mij al in zijn greep, mijn lichaam verslonden door het zijne…

In gedachten kwam een beeld van de dag voordien voor ogen. Toen had ik gezien hoe mijn makkers met twee tegelijk, driemaal en viermaal op de grond werden gekwakt; toen had ik gezien hoe hij als een behaarde leeuw over hen heen gebogen zaten hun vlees, ingewanden, botten met wit merg en al en nog halfwarme ledematen gulzig naar binnen schrokte. Een siddering voer door mij heen, ik stond daar wit van angst. Ik zag hem weer eten en hem bloederige voedselresten uitspuwen, ja zelfs braken - stukken brood gekneed met wijn - en stelde mij in mijn ellende datzelfde lot voor…

Ik verborg me dagenlang, ik trilde bij elk gerucht; elk ogenblik was ik bang voor de dood en terzelfder tijd verlangde ik om te sterven. Ik had honger van mijn maag gevuld met eikels, gras en loof. Reddeloos en radeloos alleen, met moord en wraak voor de ogen zag ik na lange tijd een schip dat een eindje van de kust verwijderd was. Ik zwaaide met mijn armen om hulp, rende het strand op en kreeg gedaan dat ik bij Trojanen aan boord kwam, ik, een Griek! Maar, vriend, vertel me nu van jullie lot en dat van Odysseus’ mannen met wie jij de zee opging."

Macareus vertelt de verdere avonturen van Odysseus

Macareus vertelde hoe Aeolus, Hippotes’ zoon en heerser over de Tyrrheense wateren, de winden goed in de hand hield, maar een opmerkelijk geschenk (een leren zak vol winden) had meegegeven aan Odysseus. Negen dagen lang werd hij voorspoedig voort geblazen: het begeerde land kwam in zicht. Maar toen Aurora voor de tiende maal verscheen, kregen de mannen last van jaloezie en roofzucht: menend dat er geld of goud in die zak zat, maakten ze de zak open…

Waarna het schip over diezelfde golven werd teruggedreven naar de baai van de windgod Aeolus. "Daarna", zo ging hij verder, "bereikten we de oude stad van de Laestrygoniërs, gesticht door Lamusen en geregeerd door Antiphates. Ik werd naar hem gestuurd met nog twee mannen. Een is op het nippertje ontkomen, net als ik, maar onze derde man heeft met zijn bloed de wrede mond van zo’n Laestrygoniër besmeurd! Antiphates zat ons op onze vlucht dicht op de hielen en zijn leger haalde ons in. Ze gooiden met bomen en stenen naar de vloot en bracht schip na schip tot zinken. Slechts een schip, dat van Odysseus en mijzelf, ontkwam…

We treurden nog over het verlies van zoveel makkers en klaagden voortdurend toen we daar landden", en hij wees naar het eiland… "Je ziet dat eiland in de verte… Geloof me maar - want ik zag het zelf - het is een eiland waar je nooit wil komen! Zelfs Aeneas, al is hij nog zo’n edele Trojaan en Venus’ zoon, geef ik de raad - want nu het vrede is, heet hij geen vijand: blijf weg van Circe’s kust!

Ook wij lagen daar voor anker, maar we dachten aan Antiphates en de Cycloop en wilden liever niet aan land gaan. Er werd geloot wie naar haar paleis zou gaan om te verkennen, en het lot zond mij, mijn vriend Polites, Eurylochus samen met nog achttien man - bij wie die dronkelap Elpenor - naar Circe’s woning. Toen we het huis bereikten en daar bij de poort stonden, maakten wel duizend beren, leeuwen, wolven en wolvinnen ons bang. Ze kwamen rennend op ons af. Maar geen ervan bedreigde ons of wou zijn tanden in ons zetten, integendeel, zij kwispelden vriendelijk met hun staarten. Ze bleven naast ons lopen tot wij door dienaressen werden opgewacht.

Deze begeleidden ons door een hoge marmeren hal naar een zaal waar hun meesteres plechtig op de troon zat. Een glanzend kleed hing van haar schouders, daaroverheen een gouden sluier. Nimfen en Nereďden zaten bij haar, maar niet om met bedreven vingers vol wol te spinnen. Nee: ze sorteerden grassen, bloemen en kruiden, bont van kleur en ordeloos vergaard, die zij verdeelden over mandjes en Circe zelf hield toezicht op het werk: zij was het, die de kracht van elk plantje en de beste combinaties verstond. Nauwlettend wees zij elk haar kruidenportie toe.

Toen zij ons zag, werden er eerst begroetingen gewisseld, haar blik leek zeer vriendelijk en haar woorden gaven goede hoop… Zij liet dadelijk een mengsel van gebrande gerstekorrels, krachtige wijn, kaas en honing roeren, voegde daar een toversap aan toe dat in die zoete drank niet kon geproefd worden. Ieder van ons kreeg uit haar godenhand een beker.

We waren uitgedroogd en dronken gretig, maar zij, de wrede nimf, tikte op ons hoofd met haar staf en tot mijn schaamte - maar ik zeg het toch - groeiden daar stekels uit. Ik kon niet meer spreken, rauw geknor in de plaats van taal kwam uit mijn mond. Ik hield mijn hoofd nu helemaal omlaag voelde mijn mond verharden tot een bolle snuit, mijn nek zwol op van de spieren en mijn handen, die net nog de beker vasthielden, bewoog ik nu als poten. Zo verging het ook met mijn makkers - dat was de kracht van het tovermiddel! Wij werden in een hok geduwd. Alleen Eurylochus, zo zagen we, kreeg niet die zwijnenvorm: hij had als enige de beker geweigerd. Was dat niet gebeurd, dan was ik nog steeds een stekelzwijn… Odysseus had dan nooit door hem ons lot gehoord en was ons nooit komen wreken.