Uit LIBER SEXTUS
 

Xavier Schiettecatte

3 LaMt

1997-1998
 

Niobe

Trots keldert ook Niobe

Gans Lydië stond in rep en roer, en ook door Phrygië verspreidde zich langs de steden als een lopend vuurtje het nieuws van wat er met Arachne gebeurd was; roddels doken uit het niets op. Toen Niobe nog als ongehuwde maagd in het Maeonisch bergland huisde, was zij Arachne's boezemvriendin geweest, maar toch had het onheil van haar streekgenote haar niet duidelijk gemaakt dat ze naar de goden moest opkijken, dat ze eerbied moest hebben voor hen en dat ze hun geduld niet mocht op de proef stellen...

De macht van haar echtgenoot, de prachtige manier waarop die op de lier kon spelen en natuurlijk hun beider afkomst waren maar enkele van de vele motieven van Niobe's hoogmoed. Bovenal was ze meer dan trots op haar eigen kinderen: de Niobiden, zeven zonen en zeven dochters. Niobe zou de rijkste moeder ter wereld zijn genoemd, als ze die naam al niet aan zichzelf had gegeven!

Want de waarzegster Manto, de dochter van Tiresias, had luidkeels in opdracht van de goden in gans Thebe verkondigd: "Kom, Thebaanse vrouwen! Laten we Latona en haar tweeling, Apollo en Artemis, eren en vroom wierook branden. Tooi jullie haren met een lauwerkrans. Latona maakt gebruik van mijn mond om jullie allen toe te spreken!"

Gedwee tooiden alle vrouwen van Thebe het hoofd met loof van de laurierboom, baden tot Latona en brandden wierook voor de godin. Plots daagde Niobe op, vergezeld door vriendinnen, gehuld in een met goud doorweven Phrygisch kleed. Haar glanzende lokken dwarrelden wel bevallig op haar schouders telkens ze het hoofd bewoog, maar haar schoonheid werd getemperd door de wrok die haar beheerste. Plots stond ze stil, keek trots om zich heen en nam het woord.

"Is het niet krankzinnig om goden waarvan je enkel de naam kent, hoger te schatten dan mensen die je kunt zien? Is het niet dwaas dat je die onzichtbare goden bemint en vereert? Waarom wordt Latona boven mij verkozen en aanbeden? Ben ik niet de dochter van Tantalus die het voorrecht had aan de godendis te mogen aanzitten? Is mijn moeder niet een van de Plejaden, een dochter van Atlas die het hemelgewelf op zijn schouders torst? Mijn vader is dus een zoon van de oppergod Jupiter en mijn gemaal Amphion is niet minder!

In Phrygië word ik geëerd en nu heers ik over het huis van Cadmus. Thebe met zijn gigantische muren, die door het lierspel van Amphion in elkaar gevoegd zijn, wordt nu bestuurd door ons. Waar je ook zou kijken, grote rijkdom is het enige wat jullie ogen zouden bespeuren in ons glorieus paleis.

Vergeet daarbij mijn elegantie niet, godinnen waardig; denk aan mijn zeven zonen en zeven dochters, en mijn toekomstige schoondochters en schoonzoons. Wie durft dan nog vragen of mijn trots gerechtvaardigd is? Wie durft dat Titanenkind van Coeus boven mij eren? Toen haar weeën begonnen, gunde heel de aardbol haar geen hoekje om te bevallen, nee, jullie godin werd door land en zee verstoten. Overal werd ze verbannen totdat het eiland Delus medelijden kreeg met de hopeloze zwerfster en zei: 'Jij dwaalt als een vreemde rond op het land; ik hier op zee...', en haar een hoekje land afstond. Daar beviel zij van een tweeling.

Maar mijn buik droeg zevenmaal dat aantal! Wie ontkent nog dat ik boven alle andere vrouwen gezegend ben? Wie twijfelt daar nog aan? Ik ben machtiger dan Fortuna; zelfs als zij mij zou schaden en mij een kind zou ontnemen, dan nog heb ik er veel over. Angsten worden door mijn overvloed aan kinderen verjaagd. Stel dat ik een groter deel van mijn kroost zou verliezen, dan nog zou ik nooit vervallen tot een deugdenloos tweetal, zoals Latona's kinderen! Is zij eigenlijk niet nagenoeg kinderloos? Hou dus op met dit kinderachtig gedoe en neem die lauwerkransen van jullie hoofden!" De vrouwen gehoorzaamden, lieten het offer onvoltooid maar baden stiekem tot Latona.
 

Latona's wraak

Latona was toornig. Op de top van de Cynthus-berg besprak ze de verwijten van Niobe met haar kinderen: "Ik ben trots dat ik jullie heb gedragen en gebaard, ik die voor geen enkele godin behalve Juno hoef onder te doen! Maar ben ik nog wel een godin? Want ik word, als jullie mij niet helpen, uit mijn eeuwenoude cultus verbannen! Erger nog: die schande gaat gepaard met grove scheldwoorden en kwaadsprekerij: die dochter van die Tantalus durft haar kinderen boven jullie stellen. Mij noemt ze kinderloos! Wel, dan wordt het hoog tijd dat ze dat zelf wordt! Net haar idiote vader!"

Latona wou nog verder jammeren, maar Apollo suste haar: "Stil! Je gepraat stelt de wraak alleen maar uit." Dezelfde commentaar kwam van Diana. Na een snelle glijvlucht door het luchtruim stonden zij al, gehuld in mist, bij Cadmus' stad.

Voor Thebe's muren lag een vlak veld, meermaals door paardenpoten vertrappeld; karrensporen waren overal aanwezig en het geweld van de hoeven had de grond hobbelig gemaakt. Dit was het ogenblik waarop de meeste van Amphions zeven zonen op de open vlakte aan het rijden waren. De sterke paardenruggen, bedekt met een prachtig rood kleed, torsten hun gewicht; trots menden ze de volbloeden met hun met goud versierde teugels.

In hun midden reed ook de eerstgeborene, Ismenus. Terwijl hij het ruige paard de opgelegde rondjes liet galopperen, schreeuwde hij opeens: "Au!" Een feilloze pijl had hem recht in de borst getroffen, de teugels werden uit zijn handen gerukt en stervend zakte hij van de rechterflank van het dier af...

Nadat de tweede, Sipylus, in de lucht een pijlkoker had horen rammelen, vierde hij snel de teugels, als een ervaren zeeman die het onweer voelt naderen en snel de zeilen uitzet om van het kleinste briesje gebruik te kunnen maken. Het afgevuurde schot haalde hem snel in, hoewel hij ijlings doordraafde. Sipylus werd geraakt in zijn nek en trillend stak de blote, ijzeren punt uit zijn keel. Hij stortte voorover zoals hij voorovergebogen op het paard zat, en zijn warm bloed kleurde de grond...

De arme Phaedimus en Tantalus, genoemd naar zijn grootvader, waren na een dagelijks ritje te paard gaan worstelen, wat jongemannen een toffe vechtsport vinden. Toen ze daar borst tegen borst stonden, verstrengeld in een hechte greep, doorboorde een door een strak gespannen boogpees afgeschoten pijl de beide jongens in worstelhouding. Beiden kreunden en stortten ter aarde, gekromd van de pijn; samen wierpen ze een laatste blik naar de hemel en stierven op hetzelfde moment...

Alphenor was getuige van het gruwelijke schouwspel. Huilend sloeg hij zich op de borst en vloog erheen om hun lijkbleke armen te ontwarren, maar viel zelf tijdens die broederdienst. Apollo had hem een dodelijke pijl tussen zijn ribben in de hartstreek geschoten. Bij het uittrekken van de pijl kwam er met de weerhaak ook een stukje long mee; bloed en ziel verdwenen in de lucht...

Na hen werd Damasichthon geveld, door een dubbele wonde nog wel. Eerst werd hij in zijn dij getroffen, in het zachte vlees van de spieren, maar toen hij zelf de pijl wilde losrukken, drong een tweede pijl tot aan de veertjes in zijn keel. Het gulpende bloed stuwde die pijl weer naar buiten...

Tevergeefs had de laatste zoon Ilioneus gesmeekt tot alle goden en geroepen: "Spaar mij!", niet beseffend dat alle goden in het complot zaten. De booggod Apollo leek vermurwd maar helaas, zijn pijl was al afgeschoten... Ilioneus bezweek aan een kleine wonde, waarbij het hart niet erg diep was geraakt.

Door onheilspellende geluiden, door gehuil op straat en door de overvloedige tranen in huis drong dit onverwachte noodlot tot Niobe door. Ze vroeg zich af hoe dit ooit had kunnen gebeuren en waarom de goden dit hadden durven doen, met welk recht ze dat hadden gedaan...

Amphion had zijn vaderhart doorstoken en met zijn dood een einde gemaakt aan zijn leven en zijn verdriet. Ach, hoe anders was Niobe nu dan de Niobe die daarstraks nog de vrouwen wegzond van Latona's offertafel en zelfverzekerd met opgeheven hoofd Thebe doorkruiste, scheef bekeken door eigen volk, maar nu zelfs door haar aartsrivaal beweend!

Ze wierp zich op haar zonen, drukte haar laatste kussen op de kille lichamen om daarna met luid rouwmisbaar te roepen: "Put kracht uit mijn verdriet, jij harteloze! Geniet maar met volle teugen, geniet van mijn rouw en stel je wreed hart ermee tevreden! Deze zeven doden hier zijn ook mijn dood. Jij zegeviert, vier je triomf over je rivale! Maar... wat is je overwinning waard? Ik heb in mijn leed nog altijd meer dan jij in je triomf; na zoveel slachtoffers blijf ik winnen!"

Bij dat laatste woord klonk alweer het geluid van een strakgespannen boogpees die werd losgelaten en iedereen, behalve Niobe, werd bang. Zij putte nog overmoed uit haar verdriet! In zwart gewaad stonden haar dochters met loshangende haren bij het doodsbed van hun broers.

Plots voelde een van de meisjes een pijlpunt in haar hart, probeerde de pijl uit de wonde te trekken maar zakte stervend neer, waarbij ze nog haar broers lippen raakte. Een tweede dochter stokte bij het troosten van haar moeder, als uit het niets getroffen; ze kneep haar lippen nog opeen maar haar laatste zucht was al ontsnapt. Een derde vluchtte zonder te weten waarheen en stierf. De vierde stortte bij Niobe neer; er was er een die zich nog verborg en een andere zag je bevend wachten op haar dood...

Toen er reeds zes bezweken waren, bleef er nog eentje over. Niobe beschermde haar met heel haar lichaam, ze was al wat haar nog restte. "Spaar toch tenminste mijn kleinste!" riep ze "Ze is het enige wat van mijn grote familie overblijft!" Terwijl ze die smekende woorden uitsprak, stierf de dochter voor wie ze bedelde.

Daar zat ze dan, versteend door verdriet tussen man en kinderen, eenzaam door haar te grote trots. De wind beroerde haar haren niet meer, haar gelaat kleurde bleek, haar ogen keken star voor zich uit, niets scheen in haar nog te leven. Zelfs inwendig niet, want haar tong verstijfde tegen het hard gehemelte, haar bloed kon niet meer vloeien, haar hoofd kon niet meer draaien. De armen bleven hangen, ze vond de moed niet meer om te lopen en van binnen was zij helemaal van steen. Een stevige windvlaag tilde haar op en bracht haar naar haar vaderland, waar ze, genageld aan een bergtop, wegkwijnde van eenzaamheid en verdriet. Haar marmersteen traant tot op heden voort...