Uit LIBER DECIMUS
 

Tuur Knockaert

3 LaWi

1999-2000
 

Atalanta en Hippomenes

'De vrouw die bij een wedren de snelste mannen overtrof, is geen vals gerucht. Maar of ze nu beroemder was door haar loopprestaties of door haar schoonheid, is moeilijk te zeggen. Toen zij Apollo's raad vroeg wie te huwen, antwoordde hij: «Voor jou geen bruidegom, Atalanta! Je moet de liefde mijden, anders verlies je levend ook jezelf...»

Geschrokken leefde ze ongehuwd in de schaduw van bossen. Ze wees het bezoek van mannen heftig af en zei: «Je krijgt mijn jawoord als je een wedloop van mij wint, maar voor verliezers wacht de dood.» Niettemin kwamen er toch een aantal overmoedige minnaars hun kans wagen, want schoonheid oefent zoveel macht uit! Hippomenes zat toe te kijken en verweet de mannen dat ze zoveel doodsgevaar riskeerden voor een vrouw, maar toen hij zelf die schoonheid zag, stak hij zijn handen op en riep: «Vergeef me, de beloning die jullie lokt, was mij nog niet bekend!»

Hij hoopte dat niemand haar voorbij rende, want hij zou ook wel zijn kans willen wagen. «Wie waagt, krijgt hulp van goden...» Terwijl Hippomenes dit bedacht, vloog Atalanta zo snel als een vogel voorbij. De jeugdige Beotiër was toch meer verbaasd om haar schoonheid dan om haar snelheid, en haar snelheid zelf droeg tot haar schoonheid bij: de wind gaf haar als het ware vleugels aan haar snelle voeten, haar lokken dansen om haar blanke schouders, bij haar kuiten wapperde het uiteinde van een kleurig geborduurde knieband. De blankheid van haar meisjesleden had een rosse glans gekregen - net zoals wanneer een purperen zonnescherm over een marmerwitte zaal een gloedvolle schaduw legt. Terwijl hij dit aanschouwde, ontving Atalanta de zegekrans; de verliezers moesten sterven.

Toch trad Hippomenes naar voren en zei: «Loop eens tegen mij! Als Fortuna mij helpt, zal verlies voor jou geen schande zijn. Mijn vader is Onchestius van Megara, Neptunus' kleinzoon; mijn kracht past bij mijn oorsprong. » Atalanta twijfelde of ze nog wel wou winnen en dacht: «Wie van de goden is zo wars van schoonheid dat hij iemand als hij wil laten sterven, hem zijn kostbaar leven laat riskeren voor mijn liefde? Niet alleen zijn schoonheid raakt mij diep, maar ook zijn jeugdige leeftijd! Hij toont ook veel moed en vreest de dood niet, hij stamt van een zeegod af en vindt een huwelijk met mij zo kostbaar dat hij wil sterven als de goden hem niet gunstig gezind zijn... Toe, ga heen! Ik ben een wrede bruid en ieder ander meisje wil wel jouw vrouw zijn. Vanwaar die zorg, terwijl er al zoveel stierven? Nu goed, hij ziet maar; als hij de dood niet inziet en het leven minacht... Sterft hij omdat hij met mij wil leven? Wordt zijn dood geen beloning voor zijn liefde? O alsjeblieft, toon je in je waanzin ook de snelste. Wat een onbedorven blik straalt uit je ogen! Ik wou dat je me nooit gezien had! Jij bent geschapen voor het leven. Als ik meer geluk had, was jij de enige voor mij..»

Voor het eerst was ze verliefd, maar wist niet wat ze meemaakte en herkende het niet als liefde. De mensen drongen aan op nog zo'n wedstrijd. Hippomenes riep mij, Venus, dringend aan: «O, help mij, Venus, ik bid je, steun me!» Ik hoorde deze zoete woorden en gaf mijn hulp zonder uitstel. De Tamaseense velden van Cyprus werden aan mij gewijd toen de raad van ouden mij er een heiligdom schonk met een groot stuk grond erbij. In het midden van die velden staat een schitterende boom met goudblonde bladeren en met takken die rinkelen van goud. Ik kwam daar juist vandaan; ik had drie gouden appels geplukt en gaf ze aan Hippomenes.

Na het startschot schoot het tweetal weg. Je zou geloven dat ze over zee of boven gele korenvelden konden rennen! Het gejuich van de mensen gaf de jongeman moed; ze riepen hem toe: « Kom op! Geef nu al je krachten! Winnen! » Wie bereidden deze woorden meer vreugde, Atalanta of Hippomenes? Atalanta kon hem vaak weer inhalen, maar hield telkens weer haar pas in. Een droog gehijg kwam uit zijn vermoeide keel, de eindpaal was nog ver.

Hippomenes liet een gouden appel vallen opdat Atalanta de appel zou oprapen. Hij passeerde haar en ontving een luid applaus, maar ze haalde hem weer in en vertraagde opnieuw bij het zien van de tweede appel en raakte achterop, maar haalde Hippomenes tenslotte toch opnieuw in. Bij het ingaan van de laatste ronde riep hij: «Godin, bescherm mij; Venus, jij gaf mij dit geschenk...» en hij wierp zijn laatste hoop ver weg, zodat zij verder achterop kwam...

Ik zag haar aarzelen en heb haar ingegeven de appel op te rapen. Het meisje werd verslagen en de winnaar kreeg zijn prijs. Zeg me, Adonis, had ik geen dank verdiend? Maar nee, hij gaf me die niet! En dat bracht me tot razernij... Gekwetst door dit gebrek aan eerbied stelde ik een voorbeeld dat maakt dat niemand nog met mij durft spotten. Ik zou ze krijgen!»

Ze kwamen bij een tempel die de nobele Echion eens aan Cybele, de Moeder-aller-Goden had gewijd, diep in een woud. Ze verlangden naar rust. Maar liefdeshartstocht, in een tempel ongepast, beving Hippomenes - het was mijn goddelijke wil... Naast die tempel was er een kapel die de vorm had van een grot. De priester had er vele gouden beelden neergezet. Hippomenes betrad die grot en schond dat heiligdom met liefdesgenot.

De goden durfden niet te kijken! De godenmoeder wou ze eerst in de Styx verdelgen maar vond die straf te licht, waarna zij ze veranderde in leeuwen met een blonde manenvacht en klauwen. De schouders werden schoften, hun hele lichaamskracht ging in hun voorlijf zitten en met hun staarten veegden ze de zandgrond; hun blikken schoten toorn en hun woorden weken voor gebrul. Het bos was nu hun thuis. Hoewel ze anderen angst inboezemen, spande Cybele hen voor haar wagen. Maar jij, Adonis, mag op geen enkel dier jagen, want anders zal jouw moed ons noodlot zijn...', aldus haar dringende raad, maar zijn vechtershart wou niet gewaarschuwd worden.
 

Venus en Adonis: einde van het verhaal

De honden joegen een zwijn uit zijn schuilplaats. Het dier wou juist ontkomen toen het in de zij werd geraakt door Adonis' speer. De ever rukte de speer snel uit de wonde. Hij stortte zich woedend op Adonis die trillend trachtte te vluchten, maar het zwijn zette zijn tanden in de buik van Adonis en liet hem stervend achter in het zand. Venus was nog op weg naar haar Tamaseense velden toen ze zijn doodsklacht hoorde en keerde onmiddellijk terug.

Zodra ze hem, dood, badend in een plas van bloed, hoog uit de lucht zag liggen, dook ze omlaag en riep verwijtend tot de Schikgodinnen: 'Jullie macht zal niet alles krijgen, mijn verdriet wordt een eerbewijs aan Adonis; jaarlijks zal jouw dood herdacht worden, een naklank van mijn klagen. Meer nog: je bloed zal tot een bloem uitgroeien.'

Bij die woorden liet ze zoete nectar in zijn bloed vallen. Nog geen uur later was uit dat bloed een nieuwe bloem ontloken, rood als appels van een granaatboom. Maar die nieuwe bloem biedt korte vreugde, omdat zij, broos van bouw en kwetsbaar door haar licht gewicht, geknakt wordt door de wind, waaraan zij ook haar naam dankt: windroos.