Uit LIBER NONUS
 

Tom Derutter

3 LaWi

1998-1999
 

Apotheose van Hercules

Deianira hoort geruchten over Hercules' ontrouw

Veel later, toen Hercules' heldendaden en Juno's afgunst wijd bekend waren, bracht Hercules als winnaar van Oechalia offers aan Jupiter op de Cenaeum-berg. Ondertussen maakte de leugenachtige Fama Deianira wijs dat Hercules verliefd was op Iole. Verdrietig en geschokt geloofde de arme vrouw deze leugen en liet haar tranen de vrije loop, maar al vlug dacht ze: "Wat? Geen traan ween ik nog; die hoer zou zich nog vrolijk maken over mijn verdriet. Maar wat moet ik doen? Straks komt ze met hem mee, ik moet dus vlug handelen. Zou ik mijn beklag bij hem doen? Of zou ik zwijgen? Moet ik terug naar Calydon? Of moet ik blijven? Zal ik hun tot last zijn als niets anders baat? Als een ware zus van Meleager moet ik toch ook in staat zijn iemand te doden? Ik kan die hoer toch doden en tonen waartoe onrecht en verdriet een vrouw bewegen?"

Zo overwoog ze allerlei manieren om zich te wreken, om uiteindelijk het met bloed doordrenkte doodskleed van Nessus naar haar man te sturen, in de hoop dat de gedoofde liefde van Hercules daardoor weer zou opflakkeren. Niet wetend welk ongeluk haar te wachten stond, gaf ze het aan Lichas, die van niets wist. Hercules ontving het giftig kleed en sloeg het om zijn schouders.

Nauwelijks stond hij bij het offervuur of het gif smolt en drong in het lichaam van de held. Toen de pijn ondraaglijk werd, weerklonken zijn schreeuw en zijn kreten in Oeta's bos. Op de plaatsen waar hij het kleed probeerde los te trekken, scheurde hij zijn huid los. Zijn bloed siste door het gif. De vlam vrat aan zijn organen, zijn spieren knapten, zijn beenderen smolten door het gif.

Hij keek naar de hemel en riep Juno aan: "Geniet maar van mijn ondergang, kijk omlaag; zelfs wie mij haat, moet mij nu beklagen. Verlos je vijand uit zijn helse pijnen. Schenk mij de gunst van de dood. Heb ik hiervoor Busiris gedood die de tempels bezoedelde met bloed van vreemdelingen? Heb ik hiervoor aan die woesteling Antaeus de hulp van zijn moeder ontnomen? Heb ik hiervoor Geryones met zijn drie lichamen en het driekoppige monster Cerberus overwonnen? En een sterke stier met blote handen getemd? Ik overwon ook in Elis, in het Parthenisch bergwoud en bij het Stymphalische water; door mijn kracht kon ik de gouden Amazonegordel van Thermodon meebrengen en de door een draak bewaakte appels stelen. Zelfs de kentauren konden mij niet aan, of het zwijn dat Arcadië verwoestte; evenmin vond de Hydra baat door kracht te putten uit haar wonden en tweemaal zo sterk te worden. Toen ik in Thrakië de vleesetende paarden vond, doodde ik hen samen met hun meester. Ik heb ook Nemea's leeuw geveld en het hemelgewelf getorst met mijn schouders. Zelfs Juno werd moe van al de eisen die ze stelde, maar toch bleef ze me achtervolgen. Het vuur vreet mij op terwijl Eurystheus nog leeft!" Zo schreeuwend beklom hij de Oeta, zijn vader aanroepend, terwijl hij de kleren van zijn lijf trachtte te scheuren.
 

Hercules straft Lichas, die onschuldig is

En dan zag hij Lichas die zich angstig verborgen hield. Omdat hij door de pijn volledig waanzinnig was geworden, riep hij: "Lichas, word jij mijn moordenaar?" De ander sidderde van angst en riep dat hem geen schuld trof, maar Hercules tilde hem al omhoog, zwaaide hem rond en slingerde hem naar de zee. Terwijl Lichas wegvloog, werd hij zo hard als steen en raakte van schrik al zijn lichaamsvochten kwijt.
 

Dood en apotheose van Hercules

Jupiters zoon velde talloze bomen en maakte op de Oeta een brandstapel. Hij liet zijn boog en pijlen - die Troje nogmaals zou moeten voelen - na aan Philoctetes die de brandstapel aanstak. Hercules spreidde zijn leeuwenhuid en ging liggen, met zijn knots als kussen: hij keek even vrolijk als wanneer hij aan een feestmaal zou aanliggen. De vlammen bereikten reeds zijn lichaam; zelfs de goden hielden hun adem in.

Toen Jupiter dat merkte, zei hij tot de andere goden dat het hem genoegen deed dat ze vreesden voor Hercules' leven, want ook hij eerde zijn zoon. Maar ze hoefden niet te vrezen, want hij die alles overleefd had, zou ook dit wel overleven. Hij was immers zoon van een god en zijn goddelijk deel zou eeuwig blijven bestaan. Het vuur had nu zijn sterfelijk deel verteerd en daar zat de mooie jonge held die groeide tot hij zijn indrukwekkende godenvorm bezat. Toen kwam zijn vader hem halen met een vierspan en bracht hem naar het godenrijk.