Uit LIBER OCTAVUS
 

Thomas Calmeyn

3 LaWi

1998-1999
 

Daedalus en Perdix

Toen Daedalus het lichaam van zijn betreurde zoon begroef, werd hij ontdekt door Perdix, de snatervogel. Perdix zong van vreugde van op een eikentak. Toen was hij nog uniek, een pas gevormde vogel die voordien niet eens bekend was. Bovendien was hij een blijvend bewijs van Daedalus' schuld. Zijn zuster had Daedalus immers ooit haar zoontje toevertrouwd als leerling, zonder daarbij aan een slechte afloop te denken.

Perdix was een slim ventje dat altijd klaar stond om te leren. Zo had hij op een keer een vis met een stekelige rug gezien. Met dat beeld voor ogen sneed hij in een scherp stuk ijzer een rij van tanden en vond zo de zaag uit. Hij was het ook die voor het eerst twee staafjes in een draaipunt liet bewegen. Terwijl de ene poot bleef staan, beschreef de tweede, als hij maar dezelfde afstand behield, een cirkel. De passer was geboren!

Daedalus werd natuurlijk jaloers en duwde hem hals over kop van Athene's heilige burcht. Hij riep echter dat Perdix was gestruikeld. Maar de hoedster van talent, Minerva zelf, greep in. Ze maakte van hem een vogel zodat hij midden in zijn val op vleugels kon wegvliegen. De snelle kracht die eerst in zijn verstand zat, verplaatste zich nu naar vleugels en poten; toch behield hij zijn vroegere naam. Alleen werd hij geen vogelsoort die hoog vliegt en nesten bouwt tussen de takken van een hoge boomtop; hij fladdert langs de grond en legt zijn eieren in een struik, uit hoogtevrees: hij herinnert zich immers nog altijd zijn vroegere val.
 

Daedalus op Sicilië

Daedalus was moe geleefd en had zich uiteindelijk in het land van de Etna gevestigd. Cocalus had hem genadig met wapens beschermd en betoonde zich een ware vriend. Athene was nu ook door Theseus' heldendaad bevrijd van Minos' zware eisen. De tempels waren er bekranst, men riep er de strijdgodin Minerva aan, en Jupiter en de andere goden eerde men met wijgeschenken, offers van dieren en van wierook.
 

Het Calydonische everzwijn: Meleager en Atalanta

Theseus' naam lag op de lippen van alle Grieken. Als er grote gevaren dreigden, werd zijn hulp door vele volkeren uit het Griekse rijk ingeroepen. Zo riep ook Calydon om dringende hulp, hoewel daar Meleager woonde. De oorzaak was een everzwijn dat in dienst van de verbitterde Diana vernieling zaaide in heel het gebied. Diana wou zich namelijk wreken op koning Oeneus.

Van zijn rijke opbrengst had Oeneus het eerste graan aan Ceres gewijd, de eerste wijn aan Bacchus en de eerste olijfolie aan Minerva. Iedere god, van faun tot hemeling, ontving dank in ruil voor zijn gunsten. Maar Diana's altaar stond er als enige verwaarloosd bij: er was zelfs geen wierook. Het is normaal dat een god zich dan gekrenkt voelt! "Wacht maar," had Diana geroepen, "dit blijft niet ongestraft! Laat ze me maar ongeëerd noemen, maar ongewroken zal ik nooit zijn!"

In haar eer gekrenkt zond zij naar Oeneus' akkers haar wraak, het everzwijn. Het was even groot als de stieren die op Epirus' land grazen en groter dan die op Sicilië; uit zijn ogen spoten bloed en vuur, zijn ruige nek stond stijf van borstelhaar. Zijn sprieten stonden recht als strakke lansen en wekten huivering met hun hechte, hooggerichte kam. Hij blies met rauw gehijg heet schuim over zijn brede flanken. Zijn tanden waren gevaarlijk als die van een olifant. Vurige adem bliksemde uit zijn bek en deed het loof van de bomen branden. Het beest brak de halmen van het groeiende graan en trapte de rijpe korenaren stuk, tot wanhoop van de boeren: het plette de korrels alsof het kaf was. Dorsvloer en korenschuur wachtten vruchteloos op oogsten. De wijnstokken, zwaarbeladen met druiven, lagen vertrappeld op de grond, net als de zwaar beladen takken van olijfbomen. Maar ook schapen waren de prooi van het monster. Geen hond, geen herder kon ze beschermen. Geen woeste stier kon op zo'n moment de kudden redden. De mensen vluchtten weg; binnen de stadsmuren voelde men zich veilig, er buiten echter niet.

Maar toen kwam Meleager; hij bracht een jachtgezelschap van edele Grieken met zich mee. Daar waren de tweelingbroers Castor en Pollux, de ene vermaard als bokser, de andere als paardenmenner. Jason die het eerste schip liet bouwen, was er ook. Het vriendenpaar Pirithoüs en Theseus was eveneens van de partij. Twee zoons van Thestius, en Lynceus, de zoon van Aphareus, bracht Meleager eveneens mee. De snelle Idas was er ook. Zelfs Caeneus, die eertijds een vrouw was geweest, was komen opdagen. Dryas, Hippothoüs en Phoenix, die Amyntors zoon was, waren ook van de partij. Ook twee zoons van Actor, en Phileus uit Elis, kwamen opdagen. Telamon was er ook net als Peleus, de vader van de grote Achilles. Verder hadden we Pheres' zoon en Iolaüs, de sterke Erytion en de renbaankampioen Echion. Lelex van Locris, Panopeus en Hyleus, de drieste Hippasus en zelfs Nestor, toen nog in zijn jonge jaren, ze waren er allemaal. De zonen van Hippocoön uit Amyclae, Laërtes, schoonvader van Penelope, de Arcadiër Ancaeus, de wijze Mopsus en ook Oecleus, die toen zijn vrouw nog niet moest vrezen, waren op de afspraak.

En daar was ook... Atalanta uit Tegea, het pronkstuk van het Lycaeus-woud. Een gladde speld stak door haar bovenkleed, haar haar was heel eenvoudig opgebonden. Een wit-ivoren koker vol met rammelende pijlen hing aan haar linkerschouder. Zo uitgedost had zij een charme die je bij een jongen wat meisjesachtig en bij een meisje wat jongensachtig noemt. Zodra Meleager, de held van Calydon, haar gezien had, werd hij verliefd op haar, zonder dat Cupido hem had getroffen met een pijl. In stilte gloeide hij van liefde en dacht: "Wie door zo'n vrouw verkozen wordt, mag zich gelukkig prijzen..." Maar gebrek aan tijd en verlegenheid braken die gedachten af: de strijd riep eerst op tot grote daden.