Uit LIBER DUODECIMUS
 

Tamara Brion

3 LaMtWi

2000-2001
 

Het verhaal van Caeneus

Na die moeizame strijd volgden vele dagen rust. In Troje en in het Griekse kamp liet men nu de wapens liggen. Wachters stonden op hun posten, even alert op de muur van Troje als bij de wallen van het Griekse leger.

Het was een feestelijke dag toen Achilles die Cycnus had verslagen, dank bracht aan Athene en een koe offerde. Hij had de ingewanden op het altaarvuur gelegd. De geur, een geschenk voor de goden, steeg ten hemel. Wat tijdens het offer niet verbrand werd, werd daarna als maaltijd opgediend. De helden op hun banken aten geroosterd vlees. De wijn nam de dorst en de zorgen weg. Daarna volgden geen citerspel, geen gezang en geen fluitspel ter ontspanning.

De helden vulden hun avond met verhalen; het gespreksonderwerp was moed. Het doet goed om eens te kunnen vertellen over avonturen die je zelf goed doorstaan hebt. Waarover kon Achilles anders spreken? Of de andere mensen met Achilles in de buurt? Vooral zijn laatste heldendaad, de overwinning op Cycnus, werd druk besproken. Iedereen vond het verbazingwekkend dat het lichaam van Cycnus met geen wapen te bevechten was, voor wonden ongevoelig bleef en gehard was tegen een zwaard. Achilles zelf en alle Grieken noemden het een wonder, tot Nestor het woord nam.

"De enige van jullie generatie die kon spotten met staal en door geen stoot te treffen was, was Cycnus. Maar ik heb ooit nog meegemaakt hoe Caeneus wel duizend wonden opliep en toch ongeschonden bleef. Deze Caeneus kwam uit Thessalië; hij heeft op de Othrys gewoond en wat hij heeft meegemaakt, lijkt des te vreemder omdat hij als vrouw ter wereld kwam…"

Zo’n rare inleiding trok ieders aandacht en men vroeg meer uitleg, zelfs Achilles: "Vertel op, Nestor, want je maakt ons allemaal nieuwsgierig en jij, de oudste van onze groep, bent wijs en een vlotte spreker. Wie was die Caeneus? Waarom was hij van geslacht veranderd? Wanneer, bij welke veldtocht of bij wat voor strijd heb je hem leren kennen? Wie versloeg hem, als hij tenminste werd verslagen?"

Toen sprak Nestor: "Ook al werkt mijn stramme ouderdom niet mee en ook al ben ik verschillende wapenfeiten allang vergeten, dit ene voorval is me altijd bijgebleven, ook al heb ik in de strijd en thuis toch heel wat beleefd… Als een man op leeftijd zich een ooggetuige van veel avonturen mag noemen, dan ben ik het wel: ik heb twee generaties overleefd, dit is mijn derde!

Koning Elatus had een dochter, Caenis, een befaamde schoonheid. Ze was het mooiste meisje van Thessalië. Ze deed in de steden in de buurt bij heel wat vrijers hoop of jaloezie leven. Ook in jouw stad Achilles, want zij was jouw landgenote. Peleus had misschien zelfs naar haar hand gedongen als hij niet al verloofd was met jouw moeder, of misschien al met Thetis was getrouwd. Maar Caenis, die afkerig stond tegenover elke huwelijksband, zwierf liever langs het stille strand.

Er wordt verteld dat ze daar overweldigd werd door de zeegod Neptunus die, uit vreugde om dit nieuwe liefdesgenot, haar een belofte deed: ‘Kies maar wat je wilt. Geen van je hartenwensen mag jou geweigerd worden.’, waarop Caenis antwoordde: ‘Ik heb na jouw geweld nog maar een verlangen, namelijk dat zoiets nooit meer kan gebeuren. Maak van mij een man en alles is vergeven…’

Deze woorden klonken al met een zwaarder stemgeluid, een mannenstem. De heerser van de diepe zee had reeds haar wens vervuld. Hij had er bovendien voor gezorgd dat zij - nee, hij - niet meer gewond kon raken en nooit door wapengeweld zou bezwijken. Verheugd om deze gunst ging hij naar huis. Hij wijdde zich daar aan mannentaken rond de Peneiusstroom van en noemde zichzelf Caeneus.

De strijd tussen Lapithen en Centauren

Peirithoüs, de zoon van Ixion, was met Hippodame gehuwd en had bij het bruiloftsmaal in zijn paleis de woeste Wolkenzonen, de Centauren, uitgenodigd. De adel van Thessalië zat er aan tafel en ik, Nestor, ook. Heel het paleis weerklonk van feestgedruis, overal hoorde je het huwelijkslied zingen. De zalen geurden van de offers. Daar kwam de bruid, omgeven door jonge en oude vrouwen. Ze was opvallend mooi... De bruidegom werd door ons geprezen om zijn geluk, iets wat ons bijna slecht bekomen was omdat de meest barbaarse van die troep Centauren, Eurytus, door de wijn en door de verschijning van de bruid in vuur en vlam geraakt was. Dubbel dronken zijn doet wellust groeien!

Eurytus stootte enkele tafels om. De gasten raakten in paniek. De jonge bruid, Hippodame, werd bij het haar getrokken en door Eurytus meegesleurd. De andere Centauren roofden ook elk een vrouw; het leek wel een stad die werd geplunderd! Vrouwengegil vulde de zalen. Wij sprongen snel te hulp, Theseus voorop. ‘Eurytus!’ schreeuwde hij, ‘wat voor dolheid bezielt je om mijn vriend Peirithoüs in mijn nabijheid te tarten? Snap je niet dat je er dan twee beledigt?’ En om dit niet voor niets te roepen sloeg de fiere held een paar opdringerige dronkaards neer en redde de vrouwen.

Eurytus zei geen woord - je kunt zo’n schurkenstreek immers niet verdedigen met woorden. Hij dreigde wel met woeste poten de tegenstander op zijn neus en heldenborst te trappen. Nu stond daar juist een groot, oud mengvat dat rijk versierd was met drijfwerk en daardoor scherp en puntig. Theseus tilde het omhoog en gooide het naar het hoofd van de Centaur.

Die sloeg achterover op de vloer waar bloed, wijn en hersens zich met elkaar vermengden. Alles gulpte hem tegelijk uit mond en wonden… Heet van woede om de dood van hun broeder schreeuwde heel die troep Centauren in koor om het hardst om wapens. Ze dronken zich met wijn nog extra moed in en begonnen de strijd. Bekers, breekbare kruiken, bolle schalen, alles vloog in het rond. Wat eens servies was, was toen goed voor moord en doodslag.

De zoon van Ophion, Amycus, was de eerste die het lef had de schatten van het huisaltaar te grijpen. Hij was ook de eerste die een luchter vol met flikkerende lampen van een plafondbalk lostrok en hoog ophief als een man die bij een offer klaarstaat om de blanke stierennek te klieven met fatale bijlslag. Dan sloeg hij de luchter stuk in het gezicht van Celadon, een van de Lapithen. Deze bleef met verminkte schedel onherkenbaar liggen. Zijn ogen puilden uit. Kaak- en jukbeen, alles was verbrijzeld. De neus zat dwars door het verhemelte …

Zijn vijand werd door Pelates van Pella neergebeukt met een afgerukte essenhouten tafelpoot. Zijn kinpunt hing op zijn borstkas. Tanden brakend in een zwarte bloedstroom, belandde hij na nog een tweede klap bij de schimmen van Hades.