Uit LIBER OCTAVUS
 

Steve Vermeulen

3 LaWi

1998-1999
 

Meleager sterft

Zonder te weten wat er thuis gebeurd was, werd Meleager, ver weg van de brandende boomstronk, gepijnigd door een raadselachtig vuur. Dapper verdroeg hij het schroeien van de vlammen maar toch ergerde het hem dat hij zulk een dood, zonder bloed, zonder roem moest sterven. Hij noemde Ancaeus, zo gruwelijk door het zwijn verminkt, zelfs gelukkig om zijn wonden. Hij riep klagend met zijn laatste krachten zijn vader, broers en zusters bij hun naam - en misschien riep hij ook zijn moeder... Nu eens namen de brandende pijnen toe, dan weer werden ze minder; tenslotte doofde bij Meleager het levensvuur en op datzelfde ogenblik viel het stuk hout ineen in een laag witte as.

Calydon lag er verslagen bij. Iedereen rouwde, van jong tot oud, van hoog tot laag. Vrouwen krijsten door heel de stad en rukten zich de haren uit. Meleagers vader Oeneus rolde zich in het stof en besmeurde zijn haren en lichaam; hij vervloekte zichzelf omdat hij nog leefde terwijl zijn zoon al was gestorven. Zijn moeder had haar eigen gruwelijk vonnis al voltrokken door zich op een zwaard te storten.
 

Rouw van Meleagers zusters

Het rouwen van de zusters valt niet te beschrijven, al had ik honderd monden en honderd tongen, en het talent van alle Muzen samen... Ze stompten hun lichaam bont en blauw, trokken zich de haren uit en kusten zijn kil lichaam. Toen hij verbrand en begraven was, gingen ze languit op zijn graf liggen, omhelsden de steen waarin zijn naam was gebeiteld en barstten in tranen uit. Ook Diana zag dit leed in Oeneus' huis en vond dat het zo wel volstond. Daarom gaf ze de meisjes veren aan hun lichaam zodat ze konden vliegen, behalve Gorge en haar zus Deianira. Diana rekte bij de andere meisjes hun armen tot lange vleugels en gaf hun een bek: zo stuurde ze hen het wijde luchtruim in.
 

Theseus en Acheloüs

Theseus keert terug naar Athene

Na de jacht op het everzwijn was Theseus op terugweg naar Athene. Maar Acheloüs versperde hem de weg met zijn stroom die door de regen gezwollen was. De riviergod raadde Theseus zijn verdere tocht door het woelige water af en nodigde hem uit bij zich thuis. Acheloüs probeerde Theseus te overtuigen om op zijn aanbod in te gaan door hem te vertellen welke schade hij met zijn gezwollen wateren aanrichtte. Theseus volgde zijn raad op en vergezelde Acheloüs naar zijn paleis.

Theseus werd begeleid naar een zaal die gebouwd was met ruwe tufsteen en poreuze puimsteen; vochtig mos vormde er een zachte bodem. Het plafond was versierd met parelschelpen en purperslakken. Het was al avond toen Theseus met zijn gastheer aan tafel zat. Links van hem zat Pirithoüs, Ixions zoon, rechts zat Lelex, de held uit Troizen, en verder zaten er nog andere mannen die door Acheloüs waren uitgenodigd. Nimfen brachten blootsvoets schalen die rijkelijk gevuld waren met verrukkelijk eten en toen de maaltijd gedaan was, schonken ze wijn in paarlen bekers.

Theseus keek over de watermassa's uit en vroeg hij wat die plek in de verte was - was dat geen eiland? Waarop de stroomgod antwoordde dat het niet een eiland was maar vijf verschillende eilanden; omdat ze zo ver lagen, kon je dit moeilijk zien. Om de oorsprong van de eilanden te verklaren, vertelde Acheloüs hun verhaal.

"Heb je een idee van de wraak van Diana als ze kwaad is? Wel, dit verhaal zal je zeker en vast verbazen: die eilanden waren vroeger vijf nimfen die ooit een dansfeest vierden en tien stieren slachtten. Elke god was uitgenodigd, maar mij vergaten ze. Daarom zwol ik op tot ik een nooit geëvenaarde kracht bezat. Mijn stroom was even razend als mijn hart, ik rukte hele bossen uit, overspoelde talloze velden en voerde die nimfen, die toen pas beseften dat ik ook bestond, op een stuk land mee naar de zee. Toen brak ik met de hulp van de golven van de zee hun stuk grond uiteen. Zo ontstond de eilandengroep van de Echinaden. Maar zoals je zelf ziet, ligt er een van die eilanden ver van de andere. Dat eiland is mij dierbaar; de zeelui noemen het Perimele.

Toen Perimele nog een jong meisje was, had ik haar lief en heb ik haar verkracht. Iets wat haar vader, Hippodamas, niet verdroeg een daarom schopte hij zijn eigen dochter van een rots in zee met de bedoeling haar ze te doden. Ik ving haar op met mijn stroom en vroeg aan Neptunus om dat meisje, verstoten door haar vader, een stukje grond te geven of om haar zelf tot grond te maken. Nauwelijks had ik deze woorden uitgesproken of Perimele werd al zwemmend door een stuk aarde omvat en groeide uit tot een eiland, vastgeklonken aan de zeebodem."
 

Pirithoüs gelooft niet in zulke godenverhalen

Toen de riviergod zijn verhaal beëindigd had, zweeg iedereen. Allen waren ze aangegrepen door deze merkwaardige gebeurtenis. Maar Ixions zoon, een brutale godenverachter, lachte hen uit: "Verzinsels, Acheloüs! Als je denkt dat de goden de macht hebben om te vormen en te vervormen, dan heb je het mis!" Iedereen was geschokt door die brutale opmerking en keurde zijn woorden verbolgen af. Vooral Lelex, een oude wijze man, had het moeilijk met wat gezegd was:
 

Philemon en Baucis

"De macht van de goden is onmetelijk en wat de goden willen dat geschiedt, geschiedt ook. Als je nog twijfelt, luister dan naar mijn verhaal. In het Phrygisch heuvelland bevindt er zich een laag ommuurde plek, waar een eik en een linde bijeen staan. Ik zag ze ooit zelf staan. Mijn vader Pittheus had me naar de streek gestuurd waar eens zijn eigen vader, Pelops, had geheerst. Niet ver daarvandaan ligt een moeras.

Ooit woonden er daar mensen, maar nu leven er alleen duikertjes en waterhoentjes. Ooit kwamen Jupiter en zijn zoon Mercurius, onherkenbaar in een mensengedaante, aankloppen aan wel duizend huizen en vroegen om een plaats om te slapen. Bij alle duizend huizen werd hun dit geweigerd, behalve bij een. Baucis en Philemon, die al op leeftijd waren, lieten de vermomde goden binnen in hun hutje met een dak van riet een stro. Toen Baucis en Philemon nog jong waren, waren ze daar getrouwd en daar waren ze ook samen oud geworden. Maar door hun armoede te aanvaarden, konden ze er tevreden leven.

Toen de goden zich diep bukten voor de lage deur en het huisje betraden, haalde de oude man een bank en nodigde de twee uit om te rusten. Baucis legde eerst gedienstig een lap van jute op de bank en wierp daarna nog enkele bladeren en droge schors in de open haard zodat het vuur niet uitdoofde. Toen dit aanvankelijk niet lukte, blies ze met haar oude-vrouwen-adem in het vuur; toen gooide ze droge takken die ze van een vliering had gehaald in het vuur onder de kookpot. Vervolgens sneed ze de groenten die haar man uit de tuin had gehaald. Ze nam van een balk (die grotendeels het huisje stutte) een zwartgerookte ham en sneed er een kleine plak af die ze vervolgens in het kokend water legde.

Tijdens het werken werd er gepraat om het lange wachten aangenamer te maken. In een houten teil werd er halfwarm water gegoten opdat de gasten zich zouden kunnen verfrissen. De bank die als tafel dienst deed, werd bedekt met een kleed dat gewoonlijk alleen gebruikt werd bij feestdagen, wat niet wegnam dat het kleed tot op de draad versleten was. De goden namen plaats. De oude vrouw schoof bevend een tafel met drie poten bij hun bank. Een poot was korter dan de andere maar dit werd verholpen door een potscherf onder de korte poot te leggen.

Daarna werd de maaltijd opgediend: groene en zwarte olijven; herfstkornoeljes in heldere bouillon; andijvie, radijzen, een groot stuk kaas en eieren die in halfwarme sintels gekookt waren. Dit alles werd opgediend op borden van gebakken aarde; de wijn kwam uit een kan van hetzelfde materiaal en de beukenhouten bekers hadden barsten die met was gestopt waren. Al snel volgde de tweede gang en als toetje kwam er een schaal met noten, vijgen, dadels, pruimen en druiven uit de wijngaard, met in het midden een honingraat. De maaltijd was een feest omdat de oudjes genoten van hun gastvrijheid. Al etend zagen Baucis en Philemon dat de wijnkan, waaruit ze al talloze keren hadden geschonken, zich vanzelf weer vulde.

Onmiddellijk begreep het koppel dat hun gasten goden waren en ze smeekten hen om vergiffenis voor de simpele maaltijd en voor hun armoede. Dadelijk wilden ze hun enige huisdier slachten: een gans. Maar het kwieke dier ontsnapte aan de stramme oudjes en uitgerekend bij de goden zocht het zijn toevlucht. De goden verboden hen de gans te doden en zeiden: "Ja, wij zijn goden en deze streek vol zondaars zal zo meteen de straf krijgen die ze verdient. Jullie gaan vrijuit, maar jullie moeten wel jullie huis verlaten en met ons meekomen, de helling op."

De oudjes deden wat gevraagd werd en begonnen, leunend op hun stok, moeizaam aan de lange beklimming. Toen ze de top bijna hadden bereikt, keken de oudjes om en zagen dat het gehele landschap in een waterplas verzonken was: alleen hun hutje bleef nog over. Terwijl ze diep ontdaan jammerden over het noodlot van hun volk, veranderde hun klein strooien hutje in een immense tempel. Een balk werd een zuil, de aarden vloer veranderde in marmer, het stro werd goudkleurig, het dak werd afgezoomd met een gouden kroonlijst en de deur werd een fraai gebeeldhouwde poort. Jupiter stelde de oude man en zijn vrouw gerust en omdat ze zo rechtschapen waren, wilde hij hun innigste wens vervullen. Na kort beraad kwam het antwoord van Baucis en Philemon: ze wilden beiden priester worden in de tempel van Jupiter en samen sterven opdat geen van beiden zou moeten treuren op het graf van zijn levensgezel.

Jupiter verwezenlijkte hun wens; zolang ze leefden, bewaakten ze de tempel. Ze spraken nog altijd over die wonderlijke gebeurtenis tot ze op een keer, hij bij haar en zij bij hem, plots groene blaadjes zagen groeien; het duurde niet lang of boven hun hoofden torende een kruin. Ze hadden nog net de tijd elkaar vaarwel te zeggen en elkaars naam uit te spreken; dan verdween hun mond in het groen van het loof. De Phrygische bewoners vertellen nog steeds over deze twee bomen die uit mensen zijn ontstaan. De takken hangen vol met kransen, dat heb ik zelf gezien. Ik heb er ook een in gehangen met de volgende woorden: Goddelijk zijn zij die door de goden verzorgd worden; laat hen die geëerd hebben, geëerd worden."