Uit LIBER SEPTIMUS
 

Steve Burggraeve

3 LaWi

1998-1999
 

Cephalus' derde verhaal

Phocus drong aan: "Maar wat is er dan gebeurd met die speer?", en Cephalus vervolgde dus zijn verhaal.

"De eerste jaren die ik met Procris mocht doorbrengen, waren gelukkige jaren. We waren beiden stapelverliefd en zorgden goed voor elkaar. Niets of niemand kon ons scheiden: zij had zelfs Jupiter niet in haar bed gewild, ik kon voor geen andere vrouw bezwijken.

Reeds in de vroege ochtend ging ik vaak op jacht met de werpspies als enig wapen, zonder drijvers, zonder helpers, zonder paarden. Toen mijn rechterarm vermoeid was van het doden van ontelbare dieren, zocht ik koele schaduw en lichte briesjes op die uit de kille dalen kwamen aanwaaien. Op hete middaguren riep ik om de Zephyrus die me rust gaf na mijn hard gezwoeg. Telkens zong ik daarbij een lied: 'Kom, mijn lieve Zephyrus, verkwik me, kom hier in mijn armen, jij, mijn liefste wens, kom, verlicht de hitte die mij schroeit, want dat kun je! Jij, mijn grote vreugde, jij koestert mij, jij geeft mij nieuwe kracht! Jij maakt dat ik naar bos en eenzaam veld verlang, jouw adem wordt gretig door mijn lippen opgevangen, steeds opnieuw!'

Maar die woorden wekten misverstand. Iemand had me horen zingen en dacht waarschijnlijk dat ik met de naam Zephyrus een nimf riep. Die persoon liep meteen naar Procris en vertelde haar wat haar geliefde had gezongen; en je weet hoe lichtgelovig liefde is... Toen Procris dat gehoord had, viel ze in zwijm en toen ze weer was bijgekomen, noemde zij haar lot onbillijk: bedroefd klaagde ze over mijn ontrouw. Door die valse beschuldiging vreesde zij iets dat niet bestond, was ze bang voor een naam en huilde ze diepbedroefd, als bestond er echt een mededingster. Toch dacht ze nog dat ze zich kon vergissen en ze wou geen vonnis vellen voor ze zelf had gezien wat ik deed.

De volgende dag trok ging ik opnieuw de bergen in om te gaan jagen. Na een mooie vangst strekte ik me uit en zong: 'Kom, Zephyrus! Troost mij na mijn arbeid!' Opeens hoorde ik een gerucht maar ik zong verder: 'Kom hier, mijn liefde!' maar weer onderbrak een geluid mijn gezang. Snel wierp ik mijn speer in de richting van het geluid… Het was Procris, en ze was dodelijk getroffen, midden in de borst.

Toen ik haar stem herkend had, rende ik op het geluid af. Bijna gek van angst vond ik haar nog in leven, maar haar kleed was al doordrenkt van het bloed. Ze trachtte de spies nog los te trekken uit de wonde. Ik tilde haar lichaam, dat me meer dan het mijne lief was, zachtjes in mijn armen op. Zwak en stervend bracht ze nog enkele zinnen uit: 'Ik smeek je bij ons huwelijkswoord, bij de hemelgoden en bij de goden van de onderwereld, bij alles wat ik van jou verlangen mag, bij mijn liefde die de oorzaak van mijn dood is en die zelfs nu ik sterf, blijft leven, ik smeek je dat je ons huwelijksbed niet met Zephyrus deelt.'

Toen begreep ik dat er een naamsverwarring had plaatsgevonden en ik probeerde haar dat uit te leggen, maar ze zakte ineen; zolang ze kijken kon, keek ze me aan, haar trieste ziel richtte zich naar mij, ik ving haar laatste adem op met mijn lippen. Toen stierf ze vredig; de droefheid was bijna van haar gelaat verdwenen."

Cephalus kon zijn tranen niet bedwingen toen hij het verhaal deed van het verlies van Procris. Maar toen kwamen Aeacus en zijn twee zonen en Cephalus ontving van hen het nieuwe en goed uitgeruste leger dat hij zou nodig hebben in de strijd tegen koning Minos.
 

Uit LIBER OCTAVUS
 

Het Atheens gezantschap onder leiding van Cephalus keert van Aegina terug

Vroeg in de ochtend, in de gloed van warme zonnestralen en bij een aangename zuidenwind, zorgde Cephalus voor de terugreis samen met zijn garnizoen; zo keerden ze eerder dan verwacht naar Athene terug.
 

Scylla en Minos

Koning Minos van Kreta belegert Megara, de stad van koning Nisus

Minos plunderde steden op de kust bij Megara en testte de sterkte van zijn leger op de stad waar Nisus regeerde. Deze had op het midden van zijn eerbiedwaardig grijs hoofd een haarlok met purperen glans, symbool van en waarborg voor het voortbestaan van zijn machtig rijk. Bij het paleis was er een toren, naast de zogenaamde 'zingende muren', want Apollo had daar, naar men zegt, ooit zijn gouden lier neergelegd, waarna de klank ervan in de steen was blijven naklinken. Nisus' dochter klom daar vaak heen in vredestijd om steentjes naar de muur te mikken - dat klonk zo mooi. Maar ook toen het oorlog was geworden, ging ze nog vaak vanuit die toren kijken naar het harde strijdtoneel.

Zo kende ze de legerleiders bij hun namen, herkende ze wapens, paarden, kleding, bewonderde ze de Kretenzische pijlkokers, maar bovenal kende ze koning Minos, zoon van Europa; ze keek zelfs meer naar hem dan mocht. Ze vond hem oogverblindend! Als hij zijn hooggepluimde helm op het hoofd had, dan was het om die helm dat ze hem bewonderde; hanteerde hij z'n bronzen schild, dan stond juist dat schild zo prachtig; als hij met sterke arm een ranke werpspies slingerde, kraaide ze van bewondering om zijn kracht en werpkunst; maar als hij zonder helm, met onbedekt gelaat, rondreed op een schimmel met een fraai geweven dekkleed, was Scylla nauwelijks zichzelf; bijna uitzinnig riep ze dat die teugels en die speer gezegend waren omdat hij ze voelde en in zijn hand hield; ze wou (als het maar had gekund!) dwars door dat leger, dwars door die vijand, heen breken of van op de torentrans recht in het Kretenzisch kamp te springen; ze zou zelfs de bronzen stadspoort voor de vijand openen!

Terwijl ze naar de witte tent van Minos zat te kijken, dacht ze: "Ik weet niet of ik blij of treurig moet zijn om die hartverscheurende oorlog: treurig, omdat mijn geliefde een vijand is; maar zonder die oorlog had ik hem nooit gekend! Als Minos mij echter als losprijs zou aanvaarden, dan zou hij de oorlog kunnen staken: ik kan vrouw en vrede voor hem zijn. O, mooiste van alle koningen! O, als de schoonheid van je moeder even groot was als de jouwe, dan is Jupiter terecht voor haar ontvlamd! Dolgelukkig zou ik zijn, als ik de lucht op vleugels kon doorklieven en in het Kretenzisch kamp kon landen: ik zou vertellen over mezelf, over mijn hartstocht, ik zou hem vragen voor welke prijs ik mij verkopen kon… Als hij maar niet eist dat de stad van mijn vader zijn prijs is… Ik wil zijn bed graag delen, maar door landverraad? Dat nooit! Hoewel... een milde overwinnaar heeft vaak gezorgd dat men een nederlaag niet erg betreurde… Minos is mild en voert een rechtvaardige strijd omdat zijn zoon vermoord is; hij heeft het recht aan zijn kant, zijn strijd is rechtvaardig. Wij gaan verliezen, denk ik. Hoe vergaat het dan mijn stad? Waarom zou deze stadsmuur wel bezwijken voor zijn leger en niet voor mijn liefde? Hij kan toch ook zegevieren zonder lange strijd en zonder enig bloedvergieten? Dan hoef ik ook niet bang te zijn! Dit plan lijkt goed, ja, mijn besluit staat vast: ik maak een eind aan deze oorlog door mijn stad als bruidsschat uit te leveren met mij erbij! Maar het moet niet blijven bij een plan: de poorten zijn streng bewaakt, mijn vader heeft de sleutels. Hij alleen maakt mij nog angstig, hij alleen blokkeert mijn plannen. O, goden! Had ik maar geen vader! Maar is ieder mens dan niet zijn eigen god? Waarom zou iedereen sterker zijn dan ik? Ik zou door vuur en zwaarden durven gaan en hier is zelfs geen sprake van zwaarden of vuur, slechts van een haarlok op mijn vaders hoofd… Die is mij dierbaar, meer dan goud; die ene lok van purper zal mij gelukkig maken en geven wat ik wens!"

Terwijl deze gedachten door haar hoofd spookten, werd het nacht en groeide haar moed. Zachtjes sloop ze naar haar vaders bed, sneed die fatale haarlok van zijn hoofd en spoedde zich met die onheilsbuit weg, de stadspoort door, dwars door de linies heen, zo sterk was het vertrouwen in haar daad. Ze meldde zich bij koning Minos, die ontzet haar woorden aanhoorde: "Liefde verleidde me tot misdaad: ik ben Scylla, dochter van koning Nisus. Huis, haard en vaderstad heb ik voor jou verraden. Ik vraag geen andere prijs dan jou. Neem deze purperen lok als bewijs van liefde, want ik geef hiermee geen haarlok, geloof me, maar mijn vaders leven." En ze gaf hem het goddeloos geschenk.

Maar Minos weigerde wat zij hem gaf en riep: "Ach! Ik wou dat de goden jou van de aarde veegden; jij bent een smerige smet op ons bestaan! Ik wou dat land en zee jou nooit meer wilden zien! Ik zal in elk geval niet dulden dat een schepsel als jij toegang krijgt tot Kreta, mijn rijk en Jupiters geboortegrond!" Toen veroverde hij de stad en legde zijn vijand heel milde eisen op. Hij liet de trossen van zijn vloot losmaken en beval zijn met brons beslagen schepen zeewaarts te roeien.