Uit LIBER TERTIUS
 

Stefanie Vanwelsenaers

3 LaMt

1997-1998
 

Tiresias voorspelt de komst van Bacchus

Toen het verhaal over de voorspelling van Tiresias en wat er nadien inderdaad met Narcissus was gebeurd, de ronde had gedaan, werd Tiresias steeds bekender en werd de waarzegger nog meer gewaardeerd door het volk, zeker in de Griekse steden. Maar Pentheus, de koning van Thebe, vereerde geen goden en was de enige die Tiresias weigerde te geloven. Hij lachte om diens voorspelling en zei dat het ging om gebazel van een blinde.

Tiresias schudde zijn hoofd en zei: "Wat zou jij gelukkig zijn, Pentheus, als je ook blind was geweest en daardoor de Bacchusfeesten niet had kunnen zien... De dag zal immers komen - en ik zeg je, die dag nadert snel - waarop de nieuwe god, Bacchus, de zoon van Semele, naar hier zal komen. Als je weigert Bacchus te vereren met plechtige feesten en offers in tempels, zul je uiteengescheurd worden in duizend stukken, en heel dit bos zul je met je bloed besmeuren. Dat zal jouw lot zijn, en je moeder en je tantes zullen dat lot voltrekken! Als je blijft weigeren Bacchus te vereren, zul je nog klagen dat ik goed gezien had in mijn blindheid!" Tiresias had zijn laatste woorden nog niet uitgesproken of hij werd als een hond door Pentheus weggejaagd.
 

Pentheus en Bacchus

Pentheus verzet zich tegen de Bacchuscultus

De voorspelling van de blinde ziener kwam vlug uit: Bacchus was al in het land. Het was overal feest. Allen, jong en oud, vrouwen en mannen van hoog tot laag, waren benieuwd naar de nieuwe godsdienst.

"Thebanen! Drakenzonen!" brulde Pentheus. "Wat voor waanzin is dit? Is dit zo mooi, al dat gedreun, al die kromme toeters, al die valse hysterie? Jullie, die nooit bang waren voor een zwaard, een krijgstrompet of vijanden met scherpe speren, jullie laten zich nu verslaan door krijsende vrouwen, bedwelmende wijn, obscene horden en holklinkende tamboerijnen! Ik snap niet dat de oudsten onder jullie, die zich na een lange zeereis op de vlucht uit Tyrus hier gevestigd hebben, zich zomaar, zonder strijd gewonnen geven! En dat de jongeren, ja, jullie, kerels van mijn leeftijd, met een thyrsusstaf rondlopen en een klimopkrans op jullie hoofd dragen in plaats van wapens in de hand te hebben en een helm op het hoofd te zetten, dat begrijp ik evenmin!

Denk alstublieft aan het drakenzaad waaruit ons volk is ontstaan en wees even moedig als die draak, die in zijn eentje zoveel mannen doodde terwijl hij de bronnen van Thebe verdedigde. Het is jullie plicht jullie reputatie in ere te houden! Die draak heeft stoere mannen gedood. Het minste wat jullie kunnen doen, is die slappelingen wegjagen en de goede naam van onze stad redden. En als het lot zou beslist hebben dat Thebe niet lang meer zal bestaan, laat dan een zwaargewapend leger onze stad vernietigen, laat dan metaal en vuur tekeergaan. Dat zou ellendig zijn, maar ons zou tenminste geen schuld treffen; onze tranen zouden geen tranen van schaamte zijn.

Nu wordt Thebe echter ingenomen door een jong ventje dat niet eens kan vechten, een ventje dat niet geeft om oorlog, wapens en soldaten maar wel om zijn kapsel dat druipt van de mirre, om verwijfde kransen, om purperen gewaden, geborduurd met gouddraad. Ik zorg er wel voor dat hij, als jullie maar op afstand blijven, snel zal toegeven dat al die goddelijkheid en aanbidding leugens zijn! Als Acrisius het lef had om hem een namaak-god te noemen en de poort van Argus dichthield bij zijn aankomst, waarom zouden ik en mijn koninkrijk Bacchus dan moeten vrezen? Ga! Ga snel!" zei Pentheus tegen zijn lijfwachten. "Zoek die leider, bind hem en breng hem naar hier! Doe wat ik zeg en treuzel niet!"

Cadmus, Athamas en alle anderen in het paleis probeerden Pentheus te kalmeren maar hun goed bedoelde raad maakte hem nog woedender. Zo gaat het vaak met bergstromen: als zij nergens worden gehinderd, komen ze rustig kabbelend naar omlaag met lieflijk geklater, maar op plaatsen waar een rotsblok of een boomstam in hun weg ligt, ontstaat een fel gebruis; door zo'n obstakel wordt het water alleen maar wilder...
 

Pentheus stuurt zijn mannen uit

De mannen van Pentheus kwamen terug, druipend van het bloed. Pentheus vroeg waar Bacchus was. Zij zeiden dat ze Bacchus niet gezien hadden, "Maar" riepen ze, "we namen deze offerdienaar mee die bij Bacchus hoort...." Ze duwden een man, met zijn handen op zijn rug gebonden, naar voren. Het was een gelovige, een volgeling van Bacchus, afkomstig uit Lydië. Pentheus bekeek hem met een vervaarlijke blik. Hij zei kortaf, omdat hij moeite had om hem niet dadelijk te straffen:

"Jou wacht een dood die voor anderen een les zal zijn. Noem eerst je naam, dan de naam van je vader en vervolgens de stad waar je vandaan komt; dan mag je vertellen waarom je aan zo'n nieuwerwetse cultus meedoet."

De gevangene antwoordde zonder enig spoor van angst: "Ik heet Acoetes, ik kom uit Lydië en mijn ouders waren arme mensen. Mijn vader was een visser; dat was zijn enige bron van inkomsten en dus leerde hij me het vak, waarbij hij zei: 'Hier, visserszoon en erfgenaam van me, dit is mijn hele rijkdom.' Toen hij stierf, liet hij me alleen het water van de zee na; dat was mijn enige erfenis. Toen heb ik, omdat ik toch nergens lang kan blijven, vlug de stuurmanskunst geleerd. Ik kon het roer hanteren en de sterren lezen; ik kende alle windstreken en de havens die geschikt waren voor de vaart.

Op een mooie dag legde ik, op weg naar Delus, aan op het eiland Chius; we bleven er die nacht slapen. Toen de zon opkwam, stond ik op en stuurde mijn bemanning uit om vers water te halen, nadat ik uitgelegd had waar ze de bronnen konden vinden. Ik ging op een heuveltop staan en keek wat de wind ons die dag te bieden had. Toen riep ik mijn mannen terug en ging alvast naar het schip.

Plots hoorde ik Opheltes antwoorden: "Hier zijn we!" Hij liep voor zijn makkers uit en had iets buitgemaakt op dat rustig eiland. Het was een jongen die het uiterlijk had van een knap meisje. Opheltes sleurde hem mee langs het strand. Het leek of de jongen wankelde in een roes van slaap of wijn, want hij strompelde mee. Maar aan zijn kleding, uiterlijk en houding, kortom aan alles zag ik dat hij meer dan menselijk moest zijn - een godheid!

Daarom zei ik aan mijn bemanning: "Ik weet niet welke god dat is, maar dat is ongetwijfeld een god!" Ik richtte me tot de jongen en zei: "Wie je ook bent, wees ons genadig, help ons, vergeef mijn mannen hun slecht gedrag..." "Laat maar!" riep een matroos. "Voor ons hoef je niet te bidden, hoor, wij hebben dat niet nodig." En in geen tijd schaarden alle mannen zich aan de kant van Opheltes.

Ik zei: "Het spijt me, maar ik heb hier het hoogste gezag en ik weiger dit schip in gevaar te brengen door een god te ontvoeren." En ik stelde me op voor de loopplank. De mannen waren woedend, vooral Lycabas, een Lydische sukkel die uit zijn stad verbannen was wegens moord. Terwijl ik daar voor de loopplank stond, gaf hij mij plots met de blote vuist een stomp op mijn keel en als ik niet half bewusteloos in het schepswant was verstrikt geraakt, had hij me waarschijnlijk in zee gegooid.