Uit LIBER QUARTUS DECIMUS
 

Sharon Wackenier

3 LaMt

2001-2002
 

Vertumnus en Pomona

Na hem regeerde koning Proca op de Palatijn en tijdens zijn bewind woonde in Latium de boomnimf Pomona. Van alle nimfen ging er niemand bedrevener om met planten dan zij en ook niemand had meer zorg voor de groei en de bloei van de bomen; vandaar haar naam. Zij geeft niet om rivieren of om bos, maar wel om tuin, boomgaard en takken, zwaar beladen met vruchten. Ze droeg ook geen zware jachtspies bij zich, maar wel een halfrond kapmes waarmee ze het onkruid snoeide, wild groeiende takken inkortte of waarmee ze boomschors open kerfde om er een ent in te plaatsen die het vreemde boomsap zou opzuigen.

Ze zorgde ervoor dat er geen droogte ontstond doordat ze de vezels van de droge plantenwortels nat sproeide met stromend water. Dit was haar lust en leven! Venus’ liefde zegde haar niets, integendeel: ze was bang voor opdringerige velddemonen, sloot haar moestuin af en probeerde ieder mannelijk contact te ontlopen. Saters en Faunen hadden al vele vergeefse pogingen ondernomen om haar voor zich te winnen. Ook Silenus die voor altijd jong zou blijven, en Priapus die dieven schrik aanjaagt door hun zijn mes of stijf lid te tonen, wilden haar bezitten.

Maar degene die het meest verliefd was, was wel Vertumnus; toch had hij niet meer succes. Hoe vaak had hij zich niet vermomd als een stoere landman, een korf met halmen torsend, als een echte boer die had geoogst! Hoe vaak had hij geen verse plukken hooi tussen zijn haren gestopt zodat het leek alsof hij het gemaaide gras had gekeerd. Ook had hij vaak een harde zweep ter hand, zodat je zou zweren dat hij juist zijn afgematte stierenspan had losgekoppeld. Met een snoeimes was hij groentekweker of wijnboer; met een ladder was hij juist op weg om appels te plukken. Soms had hij een zwaard en dan was hij een ridder; als hij visgerei bij zich had, was hij een visser. Kortom, in velerlei gestalten vond hij steeds opnieuw een manier om haar te zien en van haar schoonheid te genieten.

Hij vermomde zich zelfs eens in een oude vrouw met om zijn hoofd een bontgekleurde doek, krom steunend op een stok en met een pruik van grijze krullen. Zo liep hij Pomona’s fraai verzorgde tuin in, prees haar appels en riep: "Jij bent de mooiste appel!" en kuste haar na al die complimenten - zoals een echte oude vrouw nooit zou kussen! Toen ging hij in het gras zitten en keek gebogen naar boven, naar de brede takken die zwaar waren van de vruchten. Zijn oog viel op een olm, waar wijnranken steun zochten. Hij prees de olm en de wijnstok om hun harmonie en sprak:

"Kijk, als die boomstam niet gehuwd was met de wijnstok, zou hij alleen nog aandacht trekken door zijn groen loof, en kijk, die wijnstok die nu op hem steunt en aan hem vastzit, zou zonder die boom geknakt op de grond liggen. En toch wil jij niet leren van het voorbeeld van die boom! Je wilt je aan niemand binden, je ontvlucht de liefde! Ach, wilde je maar wel! Je zou meer minnaars moeten afslaan dan Helena ooit had, meer dan die bruid die de Lapithen tot vechten bracht, meer dan die huisvrouw Odysseus! Want zelfs nu, terwijl je iedereen afwijst, zijn er duizenden verliefd op jou, goden en stervelingen, halfgoden, elke faun uit dit Albaanse heuvelland!

Toe, wees verstandig! Kies een goede man, en als je luistert naar wat een oude vrouw je aanraadt - ik die meer dan je denkt, meer dan ieder ander om je geef: kies voor een bruidegom die niet als iedereen is, neem Vertumnus. Op mijn erewoord: ik ken hem beter dan de man zichzelf kent. Hij zwerft niet op goed geluk de wereld door, maar koestert deze rijke grond. Hij wordt niet, zoals de meeste mannen, telkens weer verliefd zodra hij vrouwen ziet. Jij zult zijn eerste en laatste liefde zijn, aan jou alleen wijdt hij zijn leven.

Bedenk daarbij dat hij nog jong is en een knappe man, maar hij kan zich ook snel in andere gedaanten veranderen, in alles wat je hem maar vraagt. En het hart van jullie beiden verlangt naar hetzelfde: dat hij de vruchten die jij hier kweekt, altijd als eerste met blijde hand ontvangt, dat is toch belangrijk?

Maar nu verlangt hij niet zozeer naar de vruchten die jij voor hem plukt, niet naar sappenrijke planten uit jouw tuin, nee, nu verlangt hij alleen naar jou! Begrijp zijn hartstocht, doe alsof hij hier mijn mond gebruikt om jou te vragen hem te geven wat hij wil… Hoed je voor de wraak der goden: Venus is afkerig van kille harten en Nemesis vergeet haar wraak nooit! En om je extra bang te maken – want mijn hoge leeftijd heeft mij heel wat geleerd! - zal ik je iets vertellen wat heel Cyprus weet en wat ook jou wat minder wreed zal stemmen!

Iphis, een zoon van arme ouders, had Anaxarete, de dochter van het adellijke geslacht Teucer, gezien. Dat had hem een liefdegloed door heel zijn lichaam gejaagd… Hij dacht lang na; niet in staat om zijn hartstocht te bedwingen ging hij nederig tot aan haar poort. Hij praatte er met de opvoedster, smeekte om niet hard voor hem zijn omdat het om de toekomst van het meisje ging. Hij vroeg ook vleiend maar toch met aandrang aan haar dienaressen om hem een paar gunsten te verlenen, en liet hen dan voortdurend liefdesbrieven aan haar brengen…

Soms hing hij bloemenkransen, vochtig van zijn tranen, hoog aan haar deurpost, zakte daarna zachtjes opzij tegen de stenen drempel, scheldend op die onbarmhartige deur. Maar wreder nog dan het golfgeweld wanneer de Wagenmenner gaat dalen, harder nog dan ijzer dat in vuur gestaald is, dan natuursteen dat diep in de bodem vastzit, lachte zij hem uit! Ze wees hem minachtend af en vergrootte haar hardheid nog met boze, trotse taal waarmee ze haar minnaar elke hoop ontnam. Iphis, niet opgewassen tegen het voortdurend folterend verdriet, nam voor haar deur met deze woorden afscheid:

‘Je wint, Anaxarete, nu hoef je nooit meer haat voor mij te voelen! Vier maar vrolijk feest, zing voor Apollo je zegelied en krans je hoofd met stralende laurier! Jij wint, ik kies de dood. Je stalen hart kan nu blij zijn en ongetwijfeld zal mijn liefde jou nog dwingen tot een beetje dankbaarheid: je zult mijn dood een weldaad noemen! Je moet wel weten dat ik door zelf te sterven ook mijn hart voor jou prijsgeef, en dat ik dus een dubbel levenslicht moet missen! Maar niemand zal jou van mijn dood moeten vertellen, neen, ikzelf zal jou geen twijfel laten. Ik zal hier zelf nog te zien zijn, zodat jouw wrede blik zich aan mijn dode lichaam kan laven… Goden! Het enige wat ik nog vraag is dat men nog eeuwenlang van mij zal blijven spreken en tel de jaren die jullie van mijn leven afnemen bij mijn nagedachtenis.’

Na die woorden keek hij met betraande ogen naar de voordeur waar hij zo vaak bloemenkransen had gehangen. Hij bond er met bange armen een tot een lus geknoopt touw hoog aan de muur en riep: ‘Wrede, gemene vrouw, zal deze krans jou wel bevallen?’. Toen stak hij zijn hoofd erdoor, nog altijd kijkend in haar richting, en liet zich hangen met verstikte keel – een droeve last voor het touw. Zijn voeten bungelden en bonkten op de deur alsof er stil gekreun klonk…Toen ze opendeden, zagen ze wat hij had gedaan…

Geschreeuw bij het personeel dat hem nog wilde redden, maar het was te laat… Ze brachten hem naar zijn moeders huis. Zij, een weduwe, klemde het levenloze lichaam van haar zoon tegen haar borst. Na de stille woorden van haar rouwend moederhart, na al de handelingen die zo vaak voorkomen bij droeve moeders, leidde ze ook de droevige rouwstoet door de stad, met op de baar zijn grauw lichaam dat verbrand moest worden.

De weg waarlangs de treurige processie voortging, liep dicht langs het huis van de genadeloze Anaxarete. Die wachtte nu de wraak des hemels af… Zij hoorde de kreten van de rouwstoet en dacht, toch wel bedroefd: ‘Ik wil die stoet eens zien’, en liep naar een open venster van de hoge zaal. Nauwelijks had zij Iphis’ lichaam op de lijkbaar zien liggen of haar blik versteende, het warme bloed trok uit haar lichaam weg en bleekheid overviel haar.

Toen ze terug wou stappen, stond ze als vastgenageld, toen zij probeerde haar gelaat af te wenden, kon ze dat niet. Steeds verder werd haar lichaam, dat al een hart van steen had, nu helemaal van steen! En denk niet dat ik dit verzin: want Salamis bezit een tempel met een beeld van de beminde vrouw; men spreekt van ‘de Venus die naar buiten kijkt’…

Dus lieve nimf Pomona, onthoud dit: wees niet koppig, ik smeek je, kies de man die jou bemint, dan zal geen nachtvorst ooit je vruchtenknoppen bederven en geen snelle wind je bloemen teisteren !"

Nadat de god haar dit verteld had , zoals oude vrouwen dat doen - maar wel vergeefs - nam hij zijn jonge vorm weer aan. Hij ontdeed zich van zijn vrouwentooi en stond daar voor Pomona even stralend als wanneer het zonlicht door een wolkendek breekt en in volle glorie schijnt. Vertumnus (die haar eerst wou dwingen) moest zover niet gaan omdat hij de nimf voor zich had gewonnen.

Stichting van de stad Rome in Latium

Na Proca heerste Amulius met brute legerkracht in het Ausonische rijk. Toen kreeg de oude Numitor de macht terug dankzij zijn kleinzoon. Op het feest van Pales werd Rome’s stad gesticht. Daarop volgde een oorlog met de Sabijnen en Tatius. Tarpeia, die de weg naar het Capitool verraden had, vond een verdiende dood onder de schilden van de Sabijnen.

Er ontstaat een nieuwe zwavelbron bij de poorten van Rome

Opnieuw slopen er zonen van Sabijnen, als stille wolven, onhoorbaar naar de stadspoort die door Romulus met grendels goed was afgesloten om daar de slapende stad te overvallen. Toch was er een poort weer ontgrendeld, zonder scharnier- of deurgeknars, en dit had Juno geklaard. De enige die iets gemerkt had van de open poort was Venus, en zij zou ze graag gesloten hebben, maar een god mag nooit iets veranderen aan wat andere goden hebben verricht…

Dus riep zij de hulp in van nimfen, de Ausonische Najaden, die een koele bron dicht bij de Januspoort bewonen. Ze gingen in op het verzoek van de godin: ze deden fonteinen uit al hun waterbronnen stromen maar de toegang van Janus’ poort bleef nog altijd open. Daarom vulden zij hun rijke bron met vuilgeel zwavel en maakten met rokend pek de holle aderen warm. Door dit soort krachten lieten ze hete dampen werken diep onder de grond, zodat hun bron , die eerst zo koud was als een Alpenbeek, nu zelfs niet voor de hitte van vuur moest onderdoen. De houten deuren rookten door de hete dampen. Juno had dan toch voor niets de poort geopend voor die stugge Sabijnen, want de nieuwe bron beschermt de stad van Mars zolang men niet paraat is. Toen Romulus als eerste een uitval had gedaan, toen Rome’s bodem bezaaid lag met lijken van Sabijnen en Romeinen en toen het bloed van vaders en echtgenoten door het boze zwaard vermengd was, wilde men de strijd toch staken. Liever vrede dan alleen maar vechten, en aan Tatius werd koninklijke macht verleend.