Uit LIBER QUARTUS DECIMUS
 

Sarah Pector

3 LaMt

2000-2001
 

De zeegod liet de Etna, die op de nek van een gigant ligt, achter zich. Hij verliet ook het land van de cyclopen en liet Sicilïe ver achter zich. Glaucus zwom krachtig door de Tyrrheense zee naar Circe, de dochter van de Zonnegod. Hij zwom tot bij de heuvels waar haar kruidentuin, haar toverdieren en haar paleis waren.

Ze maakten kennis en daarna zei hij: "Godin, ik smeek je, help mij, een god! Want jij bent de enige die mij kan helpen. En ik ben het waard, geloof me… Niemand, Circe, weet beter dan ik hoe groot de macht van kruiden kan zijn: ik werd immers door toverkruid veranderd. Luister, ik leg je uit waarom ik zo wanhopig ben. Op de Italiaanse kust, recht tegenover de muren van Zancle, zag ik een meisje, Scylla. Ik schaam me diep om hier voor jou opnieuw mijn smeekbeden en mijn afgewezen vleierijen te herhalen. Maar jij, die zo’n macht met toverspreuken bezit, zing voor mij zo’n spreuk. Als echter kruiden sterker en effectiever zijn, gebruik dan hun beproefde krachten. Ik vraag je niet om mij van mijn verliefdheid af te helpen, nee, van mijn verliefdheid genezen is niet nodig; ik wil alleen dat Scylla diezelfde verliefdheid voelt voor mij zoals ik die voel voor haar!"

Maar Circe was in haar hart gevoeliger voor de liefde dan anderen. Ofwel moest je de oorzaak bij haarzelf zoeken, ofwel bij de boze Venus die hiermee het verraad van Circe’s vader, de Zon, gestraft had. Circe richtte zich tot Glaucus en sprak: "Zoek liever naar een vrouw die dezelfde verlangens met jou deelt, iemand die dezelfde hartstocht kent zoals jij die kent! Het is je gegund, en er bestaat een grote kans dat zo’n vrouw vanzelf op jou verliefd wordt. Geloof me, als je haar de kansen biedt, krijg je zo’n vrouw… Ook al ben ik een godin, ook al ben ik de dochter van de gouden Zon, ook al kan ik veel doen met kruid en toverspreuken, toch bid ik je: neem mij tot vrouw! Vergeet Scylla, ze weigert toch, neem mij tot vrouw, ik geef me volledig aan jou! Zo beloon je twee vrouwen met eenzelfde daad!"

Zo probeerde ze hem te verleiden, maar Glaucus antwoordde: "Eerder zal er boomloof uit de zee groeien, eerder zul je zeewier op hoge bergtoppen vinden dan dat ik mijn liefde voor Scylla zal opgeven. Zolang Scylla leeft, leeft de liefde voor haar verder in mij." Circe was diep beledigd, maar omdat ze Glaucus niet kon en niet wou pijn doen in haar verliefdheid, nam ze wraak op Scylla, voor wie zij verstoten was.

Onmiddellijk stampte ze kruiden met uiterst giftige stoffen fijn. Al stampend zong ze de vereiste toverspreuken en hulde zich daarna in een blauwe mantel. Bij het verlaten van het paleis werd ze omringd door een stoet van kwispelende, wilde dieren. Zo ging ze naar Rhegium dat tegenover de stad Zancle ligt. Door de branding ging ze de zee op. Ze liep over het tapijt van golven alsof ze over vaste grond liep; toch bereikte ze haar doel met droge voeten.

Haar doel was een kleine inham in de kust, het plaatsje waar Scylla graag ging rusten omdat ze zich er kon onttrekken aan de gloed van de zon als die haar hoogste punt had bereikt; de zee maakte haar bang, daar durfde ze geen koelte zoeken. Circe vervuilde het water van de baai met haar verderfelijk gif, daarna sprenkelde ze overal schadelijke plantensappen en prevelde duistere toverformules, spreuken vol onbekende woorden. Driemaal negenmaal herhaalde ze dit ritueel van klanken en woorden.

Toen Scylla in de baai aankwam, daalde ze tot haar middel in het water. Plots zag ze dat haar buik en heupen omkronkeld waren door een soort blaffende, zwarte monsters. Eerst dacht ze dat de monsters nog van haar lichaam te scheiden waren; ze probeerde ze vluchtend van zich af te slaan omdat ze er bang van was. Maar terwijl ze wegliep, sleepte ze de vervaarlijk kijkende hondenkoppen mee. Toen ze aan haar dijen, benen en voeten wou tasten, voelde ze die niet meer, ze voelde monsterachtige koppen. Dolle Cerberussen vormden nu haar onderlichaam en dierenlijven kronkelden tot haar buik en heupen die daar misvormd naar bovenuit staken. Scylla’s minnaar, Glaucus, vluchtte in tranen weg nadat hij zag wat Circe had aangericht; hij wou absoluut niet met Circe trouwen. Scylla bleef zoals ze toen was, monsterachtig lelijk.

Maar toen ze de kans kreeg om op Circe wraak te nemen, liet ze die niet liggen. Ze roofde Odysseus’ makkers en als ze niet in een omhoogstekende rots was veranderd zou ze Aeneas’ schepen opnieuw hebben doen vergaan. Nog steeds zeilen stuurlui voorzichtig langs deze klip...

Vervolg van Aeneas’ reis

De Trojaanse schepen waren Scylla en Chayrbdis al roeiend voorbijgevaren. Toen de Italiaanse kust in zicht was, sloeg een storm hen uit de koers, naar Afrika. Aeneas en zijn mannen waren niet alleen welkom bij Dido, ze was ook erg op Aeneas gesteld. Zijn plotse vertrek greep haar zo aan dat ze geen andere uitweg zag dan zich op het zwaard te werpen op een voor de schijn ontstoken brandstapel: omdat ze zelf bedrogen was, bedroog ze iedereen door zich op het zwaard te werpen.

Na Dido’s dood vluchtte Aeneas weg uit het nieuwe Carthago. Voor de tweede maal kwam hij op Sicilïe op de Eryxberg en bij zijn trouwe vriend Acestes eerde hij zijn vaders graf met offergaven. Op bevel van Juno zorgde Iris ervoor dat Aeneas’ vloot bijna verbrand werd. Niet alleen Carthago liet hij achter, hij liet ook Aeolus, dat rookte van de hete zwavel, en de rotseilanden van de Sirenen achter. Aeneas’ vloot die het laatste deel van de reis zonder stuurman moest afleggen, kwam nu voorbij Inarime, Procyte en de Pithecusen.

De Pithecusen waren dorre heuvels die genoemd waren naar de apenstam die er leefde. Jupiter was woedend over de leugens die de Cercopen vertelden. Hij veranderde dat verradersvolk in een lelijke diersoort, een diersoort die geen mens meer was maar toch nog menselijke trekken had. Hij gaf hun een kleinere gestalte en veranderde hun neus vanaf hun voorhoofd in een apenneus. Hun gladde mensenhuid veranderde hij in oude-vrouwen rimpels. Een vacht met bruinachtige haren groeide nu op hun huid en de rotsen waren hun woonplaats geworden. Wel ontnam hij hun spraak, waarmee ze vroeger valse leugens verteld hadden; enkel een klaagstem, een schor gekrijs liet hij over.