Uit LIBER TERTIUS DECIMUS
 

Rubie Derutter

3 LaMt

2000-2001

Nadat zij met gelijksoortige verhalen het gastmaal hadden beŽindigd, werden de tafels weggeschoven en gingen ze rusten. De dag daarop bezochten ze Apolloís orakel, dat hun aanraadde naar de kusten van AusoniŽ te gaan. De koning leidde ze uit en gaf als afscheidsgeschenken een scepter aan Anchises, een mantel en een pijlenkoker aan Aeneasí zoon en aan Aeneas zelf een mengvat dat hem ooit door een gastvriend, Therses de Thebaan, gestuurd was vanuit BeotiŽ. Alcon uit Hyle had het gemaakt en versierd met een lange serie taferelen.

Je zag een duidelijk herkenbare stad Thebe met zeven poorten die, als een titel, lieten zien om welke stad het ging. Buiten de stad wees alles op een ramp: begrafenissen, lijkverbranding, graven, vrouwen met loshangend haar en naakte boezems. Je zag ook waternimfen, huilend en klagend dat hun bronnen waren opgedroogd. Het bos was kaal; er was geen blad te zien. Geitjes knabbelen aan dorre rotsgrond.

Binnen, op de markt van Thebe, kon je Orions dochters zien: de een zou moedig een zwaard in haar ontblote hals steken, de andere verwondde zich onhandig met een scherpe weefpen... Ze stierven voor hun volk. Een bonte rouwstoet droeg hen de stad uit en onder grote belangstelling werden ze verbrand. Je zag dat uit hun as twee knapen, bekend als de Coronen, ontstonden om het geslacht te laten voortbestaan. Zij leidden de rouwstoet van hun moeders.

Dat toonden de fonkelende beelden in het oude brons; van boven had het vat een rand van gouden acanthusbladeren. Ook de Trojanen boden hun gastheer giften aan en het waren even fraaie: de priesterkoning kreeg een kist om wierook op te bergen, een schotel en een kroon; alles glansde van edelstenen en goud.

Aeneas vertrekt van Delos naar SiciliŽ

Ze zetten koers vanuit Delos naar Kreta; maar al snel viel het klimaat hen daar te zwaar: de Trojanen stammen immers uit het bloed van Teucer. Ze lieten de honderd steden voor wat ze waren en gingen op zoek naar AusoniŽ. Er stak een storm op die hen de verraderlijke havens van de Strophaden indreef en waar AŽllo, de harpij, Rea de stuipen op het lijf joeg.

Dolichium en Ithaka, het eiland waar die huichelaar Odysseus de macht had, waren ze al voorbij. Het door de goden zo omstreden Ambracia doemde op, Actium en het orakelland Dodona met zijn eik. Ook werd Chaonia zichtbaar, waar een grote brand de zoons van de koning der Molossen al vliegend deed vluchten. Daarop bereikten ze het eiland van de Phaeaken waar de rijkdom in de vruchten zat. Dan zagen ze Epirus en Buthrotusí stad, een tweede Troje, bestuurd door Helenus, een zoon van Priamus, de Trojaanse ziener die oprecht en trouw hen de hele toekomst voorspelde. Op grond van zijn woorden zetten ze koers naar SiciliŽ dat met drie punten naar de zee wijst: in het regenachtige zuiden ligt Pachynus, kaap Lilybaeum voelt de zwoele westenwind en Pelorus ligt naar het noorden waar de Grote Beer nooit water raakt. Hier naderde de Trojaanse vloot de kust. Door roeikracht en door de gunstige stroom bereikten zij voor de nacht het strand van Zancle.

Het verhaal van Scylla en dat van Polyphemus, Galatea en Acis

Scylla beloerde hen van rechts, van links dreigde Charybdis die schepen roofde, opslokte en weer uitspuwde. Scylla had een onderlichaam dat begroeid was met blaffende hondenkoppen. Ze had wel een vrouwenhoofd en als niet alles wat dichters zeggen gelogen is, dan was zij ooit een vrouw. Veel minnaars dongen naar haar hand. Zij wees hen allen af; daarna ging ze aan de waternimfen die graag naar haar luisterden, vertellen hoe ze zoín verliefde vrijer had afgeschud. Op een keer, toen ze het haar van Galatea mocht kammen, zuchtte Galatea enkele malen diep en zei haar: "Jij heb ten minste nog beschaafde minnaars die je ongestraft kunt afwijzen, wat je ook doet. Maar ik, een kind van Nereus zelf, door de zeegodin Doris gebaard en veilig omringd door mijn zusters, kon de Cycloop die naar mijn hand dong, slecht met veel verdriet afwijzen..."

Tranen beletten haar om verder te spreken. Ze veegde die met helderwitte hand weg; toen zei Scylla troostend tegen de nimf: "Vanwaar komt dit leed, lieve vriendin? Verberg het niet. Je weet dat je kunt rekenen op mijn discretie!" Hierop vertelde Nereusí dochter haar verhaal aan Scylla.

Polyphemus, Galatea en Acis

"Acis, zoon van de waternimf Symaethis en van Pan, werd door zijn vader en moeder diep bemind, maar nog veel meer door mij. Hij alleen had mijn hart gewonnen, zo mooi was hij! Hij was pas zestien jaar oud; zijn jongenswangen werden beschaduwd door een beginnende baard. Ik hield alleen maar van hem maar de cycloop hield van mij...

Als je mij vraagt wat sterker was, mijn haat voor de cycloop of mijn verliefdheid voor Acis, dan zal ik je dit vertellen: beide gevoelens waren even sterk. Ach, Moeder Venus, jij regeert over een waarlijk groot gebied, want die barbaarse cycloop die zelfs bossen doet huiveren, die elke vreemdeling met een wrede straf ontvangt en de goden op de machtige Olympus minacht, voelde nu liefde... Hij werd door felle liefdegloed verschroeid, hij dacht niet langer aan zijn vee en aan zijn grot. Nee, Polyphemus zat zich op te doffen, hij wou mij zo graag behagen. Hij kamde met een hark zijn stugge haren en snoeide zijn ruige baard met een soort kapmes. Steeds opnieuw moest hij zijn woeste kop in het water spiegelen en fatsoeneren. Zijn moordlust, zijn wrede kracht en zijn niet te stillen dorst naar bloed verdwenen; schepen konden veilig aanmeren en vertrekken.

In die tijd verbleef ook Telemus, Eurymusí zoon, aan de voet van de Etna op SiciliŽ. Hij was een ziener die de vogels begreep. Hij kwam bij de cycloop Polyphemus en zei: ĎDat ene oog in je hoofd zal door Odysseus worden verblind...í Maar smalend riep de ander: ĎSlecht gezien, profeet! Een vrouw heeft mij al lang verblind!í

En daarmee luisterde hij niet naar de waarheid en liep met zware stap langs het strand, tot hij moe werd en naar zijn duister hol terugkeerde. Er stak een wigvormige klif met een lang gerekte punt in zee die aan elke kant omspoeld werd door golven. De woeste Cycloop klom daarop en zette zich neer. Hij lette niet op de wollige schapen die hun meester gevolgd waren. Hij liet de boomstam die hij bij zich had en die erg leek op een mast voor een zeilschip, aan zijn voeten rusten en greep zijn rietfluit die uit wel uit honderd stengels was samengevoegd. De hele streek en ook de zee kon nu van zijn herderlijke muziek genieten. Ook ik, die verscholen zat in een grot; ik ruste tussen de benen van mijn geliefde Acis; daar kon ik Polyphemus ondanks de afstand goed verstaan.

Terug naar het keuzemenu van de medewerkers