Uit LIBER OCTAVUS
 

Roel Pauwels

3 LaWi

1998-1999
 

Erysichthon

Lelex zweeg. Zijn verhaal had hen allemaal geboeid. Theseus had met meer dan gewone aandacht geluisterd en wilde nog meer wondere daden van de goden horen. Acheloüs lag op een elleboog en begon te vertellen.

"Mijn beste held, vaak blijft het bij een gedaanteverwisseling en in die nieuwe gedaante slijt men dan verder zijn leven; maar soms neemt iemand verschillende gedaantes aan, zoals bijvoorbeeld Proteus. Hij woont in de zee aan de rand van de aarde. Hij werd soms gezien als een jongeman, dan weer als een leeuw of een woedend zwijn. Een andere keer verscheen hij als een slang - wat doodeng is om aan te raken - of nog een andere keer had hij een gehoornde stierenkop. Hij kon ook in een boom of een steen veranderen, soms veranderde hij zich in helder stromend water, werd een rivier en veranderde dan plots in vuur, de tegenhanger van water.

Wie ook meerdere gedaantes kan aannemen, is Erysichthons dochter, de vrouw van Autolycus. Die vader, die Erysichthon, wat voor iemand was dat! Hij verachtte de goden en bracht dus ook nooit een wierookoffer. Hij heeft zelfs, zo zegt men toch, een heilig bos van Ceres geschonden en die oude, heilige plek met staal ontwijd. Er stond daar een enorme eik, oersterk, op zijn eentje bijna een bos op zich. Er hingen talloze kransen, offerlinten en danktabletten in als dank voor vervulde wensen. Bosnimfen hielden daar vaak feesten en dansten hand in hand rond de boom. Die had een doorsnede van meer dan tien meter en de andere bomen stonden ernaast als gras naast een gewone boom.

Maar voor Erysichthon was dit geen reden om hem niet te vellen. Hij had zijn helpers bevolen die boom om te hakken, maar bespeurde hun aarzeling. Daarom nam de schurk een bijl en riep: 'Al was deze eik Ceres zelf en niet alleen haar boom, dan nog zal zijn kruin de grond raken!' Hij was klaar om toe te slaan en haalde fors uit met de bijl toen opeens de eik sidderend begon te kreunen. Zijn loof en eikels werden bleek van angst, zelfs de lange takken verbleekten.

Toen zijn bijl de boom diep verwond had, stroomde er bloed uit de bast. Net zoals bij het offer van een grote stier het dier voor het altaar neerstort en er bloed spuit uit zijn diep doorkliefde nek, zo stroomde nu het bloed uit de boom.

Iedereen was ontsteld. Slechts een gezel waagde het te proberen nog groter onheil te voorkomen; hij wou Erysichthon tegenhouden. Die keek zijn gezel in de ogen en schreeuwde: 'Hier is jouw beloning voor zoveel godsliefde!' Hij richtte de bijl op de man, sloeg hem het hoofd af en begon weer in te hakken op de boom. Maar toen klonk uit de diepte van de boom een meisjesstem die zei: 'Ik ben de nimf die in deze boom woont. Ik ben zeer geliefd bij Ceres en ik voorspel je met mijn laatste krachten dat de wraak voor dit onheil nabij is; dat is een troost nu ik sterf!' Maar Erysichthon ging ongenadig verder. Tenslotte werd de boom, na ontelbare slagen, door kabels neergehaald, waarbij hij een groot stuk bos door zijn enorm gewicht verpletterde.

De nimfen hadden groot verdriet om het lot van hun gezellin en om dat van de gevelde boom; ze besloten naar Ceres te gaan en haar te smeken wraak te nemen op Erysichthon. De godin stemde toe: met een hoofdknik deed ze het koren op de velden schudden. De straf die zij bedacht zou misschien medelijden kunnen opwekken als Erysichthon niet elke kans op medelijden verspeeld had door zijn wangedrag: hij moest van honger sterven. Omdat Ceres zelf de Honger niet mocht opzoeken (het lot staat niet toe dat graan en honger elkaar ontmoeten), gaf ze de opdracht aan een oreade en zei: 'Er is een verre uithoek in het ijzig land van de Scythen, een triest gebied; het is er onvruchtbaar en er zijn geen bomen, er groeit geen graan. Daar wonen de starre Kou, de Rilling, de Huiver en de Honger. Zeg aan deze laatste dat ze in de maag van die gewetenloze schurk moet heersen. Ze mag zich niet laten verjagen door om het even welk voedsel! Maak je maar geen zorgen voor de lange reis: je mag mijn drakenwagen gebruiken om door de lucht te reizen.' Ze stond haar wagen af waarop de nimf door de lucht naar Scythië reisde.

Op de top van de ijskoude Kaukasus spande ze de draken uit en zocht de Honger op. Ze zag haar op een met stenen bezaaid land terwijl ze met nagels en tanden armzalig onkruid probeerde uit de grond te trekken. Ze had ongekamde haren, holle ogen, een vaalbleke kleur en grauwe, rimpelige lippen. Haar hals was schilferig en gevlekt; haar huid was zo uitgedroogd dat je haar ingewanden zag zitten. Waar de heup begon, stak dor gebeente bijna door de huid; ze had geen buik, haar borst leek los te zitten en werd alleen op haar plaats gehouden door ruggengraat en ribben. Haar knieën waren gezwollen en haar enkels leken vormeloze klompen.

Vanuit de verte bracht de nimf het bevel van Ceres over - dichter durfde ze niet komen. Onmiddellijk daarna voelde ze bij zichzelf de honger al knagen, ook al was ze daar nog maar net en bewaarde ze een grote afstand. Ze keerde dus maar vlug terug naar Thessalië.

De Honger mocht dan wel tegen Ceres' werken gekant zijn, toch voerde ze haar bevelen uit. Ze landde bij Erysichthons huis (waar ze door de wind was heengebracht) en ging de slaapkamer van de heiligschenner binnen. Hij sliep nog (het was nacht)... Ze sloeg haar armen om hem heen, drong zich aan hem op en blies haar adem via zijn mond en keel tot in zijn longen. Daar stroomde de honger al door zijn aderen... Toen ze klaar was, verliet ze het welvarend gebied en keerde naar haar armoedig huis terug.

Erysichthon sliep nog altijd en droomde van volle schalen voedsel, tastte toe en kauwde. Hij kauwde hap na hap en slikte ingebeelde spijzen door als nooit tevoren. Maar hij slikte geen voedsel maar ijle lucht... Toen hij wakker werd, had hij een hongerig gevoel dat zijn maag en mond beheerste. Ongeduldig riep hij om al het voedsel wat land, zee en lucht te bieden hadden. Hij klaagde met volle tafels eten voor zich over honger, hij riep om eten terwijl zijn mond ermee volgepropt zat. Wat genoeg zou zijn om steden of een volk te voeden, was voor die man nog te weinig. Hoe meer hij at, hoe meer honger hij had. Zoals de zee rivieren van de hele aarde opneemt en, nooit verzadigd, van de meest uitheemse stromen drinkt, of zoals snel verterend vuur nooit voedsel weigert, onmetelijke hoeveelheden hout verbrandt en verder om zich heen grijpt als er nog meer te grijpen valt; zo propte Erysichthon bord na bord naar binnen en vroeg bij elke hap naar meer.

Elke hap versterkte zijn honger en al slikkend merkte hij nog steeds dat brandend gevoel van honger. Zijn tomeloze vraatzucht had zijn bezittingen al fel verminderd en toch hield die honger aan. Toen hij al zijn rijkdommen had verslonden, restte enkel nog zijn dochter Metra. Zij had zo'n vader niet verdiend, want uit geldnood verkocht hij haar!

Maar ze was te trots voor slavernij en vluchtte naar het strand. Ze richtte zich tot de zee en riep smekend: 'Verlos mij van mijn meester, jij die mij mijn kuisheid hebt ontnomen', wat Neptunus inderdaad gedaan had; daarom verhoorde hij haar smeekbede. Toen haar vader, die haar net nog had gezien, haar bleef achtervolgen, veranderde Neptunus haar gedaante: hij gaf haar het lichaam van een man en de kleding van een visser.

Haar vader zag die man en zei: 'Mijn beste visser, jij die dat ijzeren haakje aan je lijn volstopt met aas, ik wens jou een kalme zee toe; ik hoop dat de vissen in dit water goed bijten en die haak pas voelen na hun beet! Maar zeg eens, liep hier zojuist geen vrouw in slavenkleren met verwaaide haren over het strand? Ik zag haar hier toch staan? Zeg me waar ze is, want haar voetstappen gaan niet verder dan...'

Zijn dochter merkte dat Neptunus haar had geholpen, was vrolijk dat naar haar gevraagd werd en antwoordde: 'Wie je ook bent, vergeef me, maar ik heb alleen maar op dit watervlak gelet, ik was druk bezig met mijn arbeid. Maar wees gerust: ik zweer je bij de zeegod die mijn hengel zijn zegen geeft, dat er al geruime tijd niemand op dit deel van het strand is geweest behalve ik - zeker geen vrouw.' Haar vader geloofde dat en keerde bedrogen terug. Toen kreeg zijn dochter opnieuw haar meisjesgedaante.

Toen de onwaardige vader gemerkt had dat zijn dochter van gedaante kon veranderen, verkocht hij haar steeds aan een nieuwe eigenaar. Steeds vluchtte ze van die nieuwe eigenaar weg, als paard, als duif, als koe of als hinde. Zo hield ze door haar bedrog haar vader in leven, hoe gulzig hij ook was, hoe veel hij ook at. Maar toen hij tenslotte al het voedsel had opgegeten en er geen voorraad meer was, begon hij met roofdiertanden van zijn eigen vlees te eten: hij vrat zichzelf op om zijn honger te stillen!"
 

Acheloüs, de riviergod, kan ook van gedaante veranderen

"Maar, beste vriend, wat spreek ik over vreemden als ik zelf ook in zekere mate van gedaante kan veranderen? Soms ben ik zoals nu, een andere keer ben ik een kronkelende slang, dan weer ben ik een stier die al zijn kracht in zijn horens legt - althans, zolang ik horens had. Mijn hoofd mist tegenwoordig, zoals je zien kunt, een van zijn wapens..." en hij zuchtte diep.