Uit LIBER QUINTUS DECIMUS
 

Pieter Vervisch

3 LaWi

2001-2002
 

De Etna die voortdurend zwavel uitstoot, zal toch nooit blijven vlammen. Dat heeft ze zelfs nog nooit gedaan. Hiervoor zijn er verschillende redenen. De aarde is ten eerste een levend wezen met wonden dat op een aantal plaatsen vuur uitstoot. Zij is heer en meester over die vuurkanalen en kan, na elke schok, de ene vuurmond sluiten en de andere openen. De snelle winden zijn opgesloten in hun hol waar ze elkaar stenen en gloeiende aardkluiten toegooien; daardoor raakt de Etna in brand. Pas als die winden bedaard zijn, zullen hun holen afkoelen. Als de aarde tenslotte de vuurzee niet meer voedt, zal het vraatzuchtig vuur in doodsnood doven: vuur kan geen honger verdragen.

Men zegt van de Hyperboreeërs (die in het noorden wonen bij Pallene) dat ze, na negen keer ondergedompeld te zijn in het Tritonmeer, een donzen vacht met pluimen krijgen. Ook zegt men dat de Scythendochters diezelfde kunst verstaan, maar dan door tovervocht te sprenkelen. Ikzelf geloof dat niet.

Enkele overduidelijke voorbeelden van dit soort gedaanteverwisselingen zullen je van deze eeuwige verandering overtuigen. Uit karkassen komen kleine diertjes vliegen, nadat ze lang zijn blijven liggen in de hitte van de zon. Neem je beste stieren, slacht ze en leg ze in een kuil. Bijen zullen er spontaan tot leven gewekt worden. Die honingzoekers houden van het veld en werken nijver aan de toekomst. Een begraven krijgsros brengt een horzel voort. Als je van een zeekreeft de scharen afbreekt en de rest met aarde toedekt, komt er uit zijn graf een schorpioen gekropen die met kromme angel aanvalt.

Vlinders die symbool zijn voor de dood, zijn ontpopt uit rupsen die zich hebben ingesponnen met hun witte draad tot een cocon. Uit zaad dat zich in moddergrond heeft genesteld, ontwikkelen zich poten om te kunnen zwemmen en bovendien nog ver te kunnen springen (vandaar dat de achterpoten langer zijn dan de voorste twee); uiteindelijk ontkiemt daaruit een kikker. Zelfs een beer vormt een onbeholpen vleeshomp al likkend om tot zijn jong. Ook de bijen ontwikkelden zich spontaan in hun zeshoekige wassen hokjes van eerst nog onvolledig geboren tot wat poten en vleugeltjes heeft. Zo breken Juno’s pauw met sterren in de staart, of de vogel die de wapendrager is van Jupiter, of Venus’ duiven, allemaal uit een en dezelfde oorsprong: een ei. Sommigen denken zelfs dat het merg van een menselijke ruggengraat zich in het graf ontbindt tot een slang.

Al deze dieren vinden hun oorsprong bij een ander dier, maar een vogel bij de Assyriërs Phoenix genaamd, heeft zichzelf verwekt en gebaard. Hij eet geen planten en geen graan, maar leeft van druppels hars en amomumsap. Na vijf volle eeuwen geleefd te hebben, bouwt hij hoog in een wiegende palm of eikenboom een nest. Zijn klauwen en reine snavel zijn hem dan steeds van dienst. Toegedekt met lavendelgroen, zachte narduspluimen, stukjes kaneel en bruine mirre, neemt hij er plaats en vindt zijn einde in dat geurig bed. Uit de as van de vader verrijst een kleine Phoenix, die weer zo lang mag leven. Zodra die vogel kracht genoeg heeft, tilt hij zijn wieg en ook zijn vaders graf op en brengt het naar Heliopolis, waar het in de voorhal van het heiligdom van de zon een nieuwe plaats krijgt.

We kennen nog meer van die wonderbaarlijke en ongekende verhalen die ons mogen verbazen. Zoals de dubbelrol van een hyena, een dier dat leeft van lucht en winde en de kleur aanneemt van alles wat het aanraakt. Eerst is zij ’t vrouwtje dat zich laat bespringen en daarna het mannetje! En lynxen, die ooit gewijd waren door het veroverde India aan de met wijnranken omkranste Bacchus, hebben blaasvocht dat, bij aanraking met de buitenlucht, zo hard als ijs wordt. Zo verstijft ook koraal, een zwierig wuivend zeegras, als dat maar even boven water komt.

De Zonnewagen zal eerder de diepe Oceaan bereiken dan dat ik alles wat nieuwe vormen krijgt, heb opgesomd. Wij zíen de tijden veranderen: terwijl het ene volk machtig wordt, komt het ander ten val. Hoe hoog heeft Troje, dat zoveel levens kon geven, tien jaar lang, niet gereikt met middelen en mannen? Nu kan ze enkel nog ruïnes en voorvaderlijke graven tonen, zonder rijkdom. Roemrijk was Sparta, groots was ooit Mycene’s macht, die van Cecrops’ stad en die van Amphions burcht. Maar nu zijn het nog maar namen: Sparta, dat is nu braakliggende grond; het hoge Mycene ligt geveld; zelfs Thebe met zijn Oedipus, Athene en Pandion, het zijn nog enkel namen!

En thans verrijst, aan de oever van de Apennijnse Tiberstroom, een machtig bouwwerk, het nieuw-Trojaanse Rome. Het legt er de grondslag voor een nieuwe heerschappij. Bij de groei ervan zal ook die stad van vorm veranderen, ooit zal het, volgens priesters en orakelspreuken, de hoofdstad van de wijde wereld zijn. Dit doet me denken aan Helenus, de zoon van Priamus: toen Troje in de vlammen opging, sprak hij Aeneas troost toe in diens wanhoop en verdriet met de volgende woorden:

"Zoon van een godin, let goed op wat ik je zeg! Zolang jij veilig bent, zal Troje nooit totaal ten onder gaan. Je moet jezelf en Troje’s Penaten zien te redden van het vuur, weg van die strijd, tot aan een vreemde kust, die gastvrijer zal zijn dan je eigen land. Dit land zal Troje en jou een nieuw bestaan geven. Ik zie dat er een nieuw-Trojaanse stad jullie wachten, zoals er nergens is, nooit meer zal zijn en nooit gezien is. Kortom, die stad zal onder vele heersers eeuwenlang haar macht ontplooien. Slechts een van hen kan tot wereldkoning gemaakt worden: Augustus, nazaat van Julus’ bloed. Hij zal, na zijn leven op aarde, hoog ten hemel stijgen. De godenwoning zal door zijn komst verblijd worden."

Ik weet nog heel goed dat Helenus dit alles aan Aeneas, Troje’s redder, heeft voorspeld, en het verheugt me dat mijn dierbaar Troje is herrezen en niet voor niets door Grieken geveld is…

Wat ik uit dit alles kan besluiten: alles wat hemels en wat aards mag zijn, verandert van gedaante. Wij, als mensen die eveneens deel uitmaken van het heelal, ondergaan een gelijkaardige gedaantewisseling. Niet alleen als lichaam maar vooral als fladderende ziel kunnen wij veranderen in een wild dier of zelfs in vee. Gun dus die dieren een waardige, verdiende rust en vrede als de ziel van onze ouders, broers of van welke verwanten ook, in elk geval van mensen die in die dieren rusten.

Laten we dus geen Thyestes-voer eten! Hoe slecht is de gewoonte niet van een goddeloze aanslag op eigen bloed. Zo doorklieven mensen de keel van een jonge koe met hun zwaard. Ze laten haar daarna zonder meelij klagen. Zelfs een bokje dat om hulp roept als een angstig kind, zal men slachten. Men zal smullen van een vogeltje dat men zelf graantjes gaf… Wat is dan eigenlijk het verschil met wat men een echte misdaad noemt? Waar ligt de grens bij dergelijke daden? Een stier moet zijn leven lang ploegen om op hoge leeftijd geslacht te moeten worden.. Een schaap staat gedwee haar vacht af om ons te beschermen tegen de kille noordenwind. Een geitje moet haar volle uier laten leegmelken.

Schaf die netten, strikken, klemmen en andere gemene listen toch af! Bedrieg een vogel niet meer met takken vogellijm, omsingel herten niet met schrikdraad die volhangt met vogelveertjes, verberg geen scherpgebogen vishaak in dat bedrieglijke aas! Enkel dieren die schade doen, mag je doden, maar laat het dan bij doden. Hun vlees behoort niet in jullie mond: jullie mond kent toch zachter voedsel!

Numa wordt koning van Rome en stelt wetten in

Gesterkt door dit soort wijze lessen keerde Numa terug naar zijn vaderland. Daar aangekomen werd hem gevraagd de teugels van de macht in Latium ter hand te nemen. Met de steun van de Muzen en gezegend met een nimf als echtgenote stelde hij de godsdienstregels in. Hij leerde zijn volk, dat gewend was aan felle strijd, vrede te hanteren.

Na Numa’s dood is Egeria ontroostbaar, zelfs als Hippolytus haar zijn verhaal vertelt

Het koningschap droeg Numa tot op hoge leeftijd. Na zijn dood rouwden senaat en het volk van Latium, de vrouwen jammerden. Egeria zocht buiten Rome, in de dichte bossen rond Aricia, een schuilplaats. Ze verstoorde er, met veel geklaag, Diana’s offerdiensten die sinds Orestes waren ingesteld. Wonderbaarlijk was het hoeveel troost ze kreeg van de stilte van het bos, evenals van de waternimfen die zegden dat ze niet te klagen had. Ach, hoe dikwijls ook sprak Theseus’ zoon haar de volgende woorden toe om haar verdriet te stillen:

"Maak toch een eind aan je geklaag, je lot is immers niet droeviger dan dat van anderen. Verschillende voorbeelden zullen je tranen drogen, ook mijn voorbeeld. Toch wou ik dat het geen voorbeeld van mij was… Je hebt misschien wel gehoord van een zekere Hippolytus, de man die sterven moest door gemeen stiefmoederlijk bedrog. Mijn vader geloofde wat zijn tweede vrouw van hem had verteld. Dat zal je vast verbazen, maar ik kan het bewijzen: die man ben ik.

Phaedra deed indertijd vergeefse moeite om mij in mijn vaders bed te lokken. Toen loog zij tegen mijn vader. Ze zei dat ik het was die dat gewild had. Uit angst om ontdekt te worden of zelfs beledigd te worden door mijn onwil, schoof ze de schuld op mijn schouders. Met verwensingen en boze vloeken werd ik uit de stad verbannen, ook al was ik totaal onschuldig. Ik vluchtte met een wagen naar Troizen, Pittheus’ stad.

Toen ik langs de kustweg bij de engte van Korinthe reed, verhief de zee zich, een immense watergolf leek zich te krommen tot een soort bergrug die steeds groeide. Plots splitste die met een luid gebrul in tweeën. Uit de waterbreuk kwam een breedgehoornde stier te voorschijn. Hij verhief zich met zijn borst en schouders in de zwoele lucht. Uit zijn neus en wijde bek stroomde water. Mijn reisgezellen schrokken. Eerst zag ik geen gevaar, want ikzelf zat in diep gepeins over mijn vlucht, totdat mijn paarden, dat vurig span, de nekken zeewaarts wendden. Met stijfgespitste oren werden ze schichtig, angstig voor dat monster…

Omdat de wagen langs steile kliffen werd meegesleurd, trok ik uit volle macht maar tevergeefs aan de wit beschuimde teugels, ik trok, ver achterover hangend, aan dat stugge leer. Bijna had ik met volle kracht die dolle paarden bedwongen toen een wiel, juist bij het centrale draaipunt om de as, een boomstronk raakte. Door de botsing was het wiel totaal verbrijzeld…