Uit LIBER DECIMUS
 

Nick Therry

3 LaMt

1999-2000
 

Orpheus zingt

Zo lokte de zanger bomen naar zich toe. Hij zat te midden van viervoetige en gevleugelde dieren. Hij tastte de snaren met zijn duim af en luisterde of de vele tonen ondanks het klankverschil harmonieerden. Zo zong hij de volgende verhalen:

"Muze, mijn moeder! Mijn lied begint bij Jupiter, want alles wijkt voor Jupiter. Ik roem vaak de macht van Jupiter bij plechtig lierspel, zoals over zijn strijd tegen de Giganten en over zijn bliksemschichten. Nu ga ik minder ernstig klinken en ga ik zingen van liefde tussen goden en jongens, en van meisjes die verboden liefde koesteren en die voor hun lust gestraft zijn.
 

Jupiter en Ganymedes

Jupiter werd ooit verliefd op de Trojaan Ganymedes. Hij vond dat hij zich niet als Jupiter moest voordoen, maar als een adelaar, de enige gedaante die bij hem paste en die ook zijn bliksems kon dragen. Meteen vloog hij door het luchtruim en schaakte de Trojaan die nog steeds aan Jupiter de nectar aanreikt.
 

Hyacinthus

Apollo had ook graag Hyacinthus, de zoon van Amyclas, een plaats gegeven in het godenverblijf als hem geen droevig lot beschoren was. Toch werd de knaap in zekere zin vereeuwigd: wanneer de winter voor de lente wijkt en wanneer de Ram het sterrenbeeld van de Vissen vervangt, ontbloeit hij in het jonge gras als een voorjaarsbloem.

Apollo had hem boven iedereen lief en Delphi, de navel van de wereld, moest het zonder heerser stellen. Omdat Apollo steeds het ommuurde Sparta aan de Eurotas opzocht, dacht hij niet meer aan zijn boog of aan zijn lier, ja, hij vergat ook zichzelf, want niets was hem te veel. Hij zeulde met Hyacinthus' netten, hij dreef de meute honden voort, hij joeg met hem op moeizaam bergterrein en voedde zo dagenlang zijn hartstocht.

Telkens als het middag werd, deden ze hun kleren uit en smeerden zich in met olie van olijven voor een wedstrijd in het discuswerpen. Apollo draaide de brede schijf als eerste rond, slingerde ze en doorkliefde er het wolkendek mee. Na lange tijd viel de zware schijf weer op de grond; wat een voorbeeld van samenwerking tussen kunst en kracht!

Onmiddellijk liep Hyacinthus gefascineerd vooruit om de discus op te rapen, maar die werd door de harde grond teruggekaatst en vloog hem recht in het gezicht. Apollo werd even bleek als de knaap die op de grond lag. Hij tilde hem op ,legde hem in zijn schoot, depte de vreselijke wonde en probeerde hem in leven te houden met behulp van kruiden maar de wond was niet meer te genezen. Zoals viooltjes, papavers of zelfs rechte lelies opeens knakken bij het sproeien van de tuin en hun verwelkte kelken laten bengelen, zo hing bij Hyacinthus ook het stervend hoofd neer, zijn nek scheen veel te zwaar en lag tegen zijn schouder.

Apollo riep: 'Nu sterf je, Hyacinthus. Ik zie de wond die mij beschuldigt, ik ben de oorzaak van jouw dood. En toch, waar ligt mijn schuld? Moet het discusspel de schuld krijgen of wij, omdat we minnaars waren? Ach, kon ik maar met jou van lot wisselen of met jou sterven! Maar mijn lot laat dat niet toe. Je zal altijd bij mij zijn, want je naam ligt op mijn lippen, ik zal je bezingen met mijn lier! Je wordt een nieuwe bloem waarin mijn klachten geschreven staan en eens komt de dag dat Ajax, de befaamde strijder, zich bij jou voegt als bloem waarvan de blaadjes in dezelfde letters groeien...'

Pas had Apollo deze woorden gezegd of het bloed dat het gras rood had gekleurd, was verdwenen. Er groeide een bloem die glanzender was dan Tyrisch purper en die op lelies leek, behalve dat lelies zilverachtig zijn en deze purperkleurig. Apollo was nog niet klaar: Hij schreef in de blaadjes 'ai ai', waarmee hij zijn smart uitdrukte Ook Sparta was trots op zijn Hyacinthus en stelde het Hyacinthus-feest in dat volgens oude rituelen jaarlijks met grote luister gevierd wordt.
 

De Cerasten

De Cerasten hadden voor hun poort een altaar staan van Jupiter, de god van de gastvriendschap. Als een vreemdeling dat rood van bloed zag staan, dacht hij dat de oorzaak daarvan offers van kalveren of schapen waren . Maar nee, het was het bloed van vreemdelingen.

Zelfs Venus wilde niets van die riten weten. Ze wilde de stad en Cyprus' land verlaten, maar ze dacht: 'Wat heeft mijn stad, wat heeft dit land misdaan? Zijn zij soms schuldig? Die barbaren moeten zelf maar boeten met hun dood of met verbanning of beter nog, met een gedaanteverwisseling; dat houdt immers het midden tussen verbanning en dood!' Haar blik bleef op de gehoornde helmen van de Cerasten rusten; plots bedacht ze dat die hoorns konden blijven en ze vormde hun krachtige lichamen om tot jonge stieren.

De onkuise dochters van Propoetis waagden het toch nog om met Venus' goddelijkheid te spotten en haar wraak, zo zegt men, maakte hen tot de eerste prostituees. Toen ze om wat ze deden geen schaamte meer voelden en niemand nog bloosde, werden zij verhard tot steen; maar een klein verschil met hoe ze waren...
 

Pygmalion

Pygmalion had die vrouwen jarenlang in zonde zien leven en voelde een afkeer van het kwaad dat de natuur bij de vrouwen had ingeplant; daardoor bleef hij steeds vrijgezel. Ondertussen maakte hij wel een wit ivoren beeld met een weergaloze schoonheid en werd verliefd op zijn eigen werk.

Het leek op een echte jonge vrouw die graag bemind wilde worden. Pygmalion bewonderde haar en brandde van hartstocht voor dit namaak-lichaam. Hij voelde steeds met zijn vingers aan het beeld en maakte zich wijs dat het geen ivoor meer was. Hij kuste haar, sprak tot haar en hield haar in de armen, drukte zijn vingers in haar lichaam en was zelfs bang voor blauwe plekken waar hij haar omarmde.

Hij vleide haar met verliefde woorden, gaf geschenken (schelpen of stenen, tamme vogeltjes, bloemenkransen, lelies, geverfde knikkers, barnsteenkralen en tranen van de Heliadenbomen). Vervolgens tooide hij haar met kleren, deed ringen aan haar vingers, snoeren om haar hals, lichte parelhangers aan haar oren en behing ook rijk haar borst. Alles sierde haar, ook al was ze mooi zonder dat alles. Hij legde haar op een divan met een purperen sprei, noemde haar zijn bed-vriendin en liet haar hals zachtjes in een kussen leunen, denkend dat ze dat kon voelen.

Het feest van Venus was begonnen. Jonge koeien met vergulde horens werden geofferd en overal kon je wierook ruiken. Na het offer bleef Pygmalion bij het altaar staan en wenste stil: 'O goden, als jullie alles kunnen geven, geef mij dan een vrouw.' Venus, zelf aanwezig bij haar feest, begreep de bedoeling van deze wens: de vlam van het offervuur laaide driemaal op en een vuurtong schoot omhoog in de lucht; zijn wens zou in vervulling gaan.

Zodra hij thuis kwam haastte hij zich naar zijn beeld en kuste haar op de mond. Ze leek erdoor te smelten en weer kuste hij haar en raakte haar borsten aan met een vingertop: het aangeraakte ivoor werd week, de kilte verdween. Verbijsterd liet hij eerst geen vreugde toe, bang voor bedrog. Verliefd streelde hij steeds weer, steeds meer vrouw dan beeld: zijn strelingen doen haar bloed veel sneller stromen!

Daarna sprak Pygmalion, held van Paphus, dankwoorden uit voor Venus diep uit zijn hart, en drukte zijn lippen op de lippen van het meisje dat zijn kus voelde, begon te gloeien en haar ogen schuchter opsloeg. Op dat moment keek ze haar minnaar aan. Het huwelijk, door Venus voorbereid, ontving haar zegen: toen Paphos geboren werd, had de maan negenmaal haar sikkel tot een schijf gevuld en het eiland draagt soms nog de naam Paphia in plaats van Cyprus.