Uit LIBER PRIMUS
 

Nargez De Taeye

3 LaMt

1996-1997
 

Phaëthon

Io's zoon Epaphus beledigt Phaëthon

Io was een godin geworden, vereerd door het priesters in lange witte gewaden. Jaren waren voorbijgegaan. Haar zoon Epaphus, uit zaad van Jupiter ontstaan, was even oud als Phaëthon, de zoon van de Zonnegod. Telkens die vertelde over zijn afkomst, deed hij dat altijd met veel opschepperij. Op een dag, toen hij daar voor de zoveelste keer mee bezig was, werd Epaphus kwaad en riep:"Geloof jij nu alles wat je moeder je zegt? Dat verhaal over je vader is gewoon een leugen!"

Phaëthon kreeg een blos; hij was sprakeloos en ontzet, maar vertelde toch aan zijn moeder wat Epaphus gezegd had. "En moeder", zei hij, "ik, die toch een grote mond kan opzetten, heb me niet eens verdedigd tegen deze belediging. Alstublieft, als ik echt een goddelijke vader heb, geef me daar dan een bewijs van."

Clymene was vertederd door de smeekbeden van haar zoon Phaëthon. Ze was nijdig over deze krenkingen, strekte haar armen uit naar de hemel, wees de zon aan en zei : "Ik verzeker je, mijn zoon, dat die Zon, aan wie de aarde licht en warmte ontleent, jouw vader is." Ze stelde hem voor, om haar woorden te bevestigen, dat hij zijn 'vader' zou opzoeken. En Phaëthon ging onmiddellijk in op het voorstel van zijn moeder. Hij droomde al van het hoge luchtruim en verliet Ethiopië, zijn geboorteland, om naar India te trekken. Daar aangekomen ging hij naar de woning van zijn vader.
 

Het paleis van de Zonnegod

Het indrukwekkende paleis van de Zon rustte op hoge zuilen. Het schitterde fel van goud, het koperwerk straalde vuur uit; de gevelvelden waren bedekt met glanzend ivoor en de dubbele poorten straalden van zilverig licht, want Vulcanus had er de zeeën die het land helemaal omgeven, afgebeeld, alsook de aarde en de hemel die zich over de aardbol welft. De zee bevatte azuurblauwe goden: de blazende Triton; Proteus die makkelijk van gedaante kon veranderen, Aegaeon die met zijn honderd armen op walvisruggen leunde; Doris en haar kinderen waarvan een deel aan het zwemmen was, terwijl een ander deel zijn zeegroene haren zat te drogen en nog een ander deel op een vissenrug reed. Ze hadden wel niet allemaal dezelfde gelaatsrekken, maar toch waren ze ook niet volledig verschillend, zoals dat meer voorkomt bij zusters. Op de aarde stonden mensen, steden, bossen, dieren, nimfen en andere goden van het veld afgebeeld. Boven dit alles was de stralende hemel afgebeeld; zes tekens van de dierenriem stonden op de rechterdeur, zes op de linkerdeur.
 

Uit LIBER SECUNDUS
 

Phaëthon bij zijn vader, de Zon

Toen Clymene's zoon over het stijgende voetpad zijn vaders huis binnentrad, richtte hij zijn stappen meteen naar zijn vader maar bleef wel op een afstand staan: zijn ogen lieten hem niet toe dichterbij te komen. Phoebus zat op zijn troon in een purperen mantel die straalde van fonkelende smaragden. Aan zijn rechter- en linkerzijde stonden de Dagen, de Maanden, de Jaren, de Eeuwen en op gelijke afstand van elkaar ook de Uren. Daar stonden ook de nieuwe Lente, met bloemen omkranst, de naakte Zomer met graanguirlandes in haar arm, daarnaast de Herfst, besmeurd met platgetrapte druiven en de ijzige Winter met wilde en ruige haren.

De Zonnegod die in het midden zat, merkte met zijn allesziende ogen de jongeman op (die bang was in dat vreemd paleis) en vroeg: "Wat is de reden van je komst? Wat kom je doen in deze woning, jij, Phaëthon, die onloochenbaar mijn eigen kind bent?"

Phaëthon antwoordde: "O Licht dat overal schijnt! Vader, als je tenminste toestaat dat ik je zo aanspreek en als Clymene haar misstap niet verhult met een valse voorstelling van feiten, geef me een bewijs, vader, dat ik eindelijk kan geloven dat ik jouw zoon ben."

Zo klonken zijn woorden en zijn vader nam de stralenkroon die om zijn hoofd schitterde, af en wenkte hem naderbij te komen. Hij omhelsde hem en zei : "Je verdient niet dat men twijfelt aan je afstamming ... en daarbij, je moeder spreekt de waarheid. Opdat je hieraan niet meer zou twijfelen, mag je vragen wat je wilt. Ik zal ervoor zorgen dat je wens in vervulling gaat. De Styx, waarbij de goden zweren en die mij nooit ziet, is ook mijn getuige."

Nauwelijks had de Zonnegod deze woorden uitgesproken of Phaëthon vroeg om de zonnewagen met de gevleugelde paarden voor één dag te mogen mennen... De Zonnegod had er al spijt van dat hij gezworen had bij de Styx. Hij schudde het stralende hoofd en zei: "Was het maar mogelijk te weigeren wat je vraagt! Ik zeg je eerlijk: dat is het enige wat ik niet zou gegeven hebben. Ik kan je dit nog wel afraden, want wat je vraagt kan leiden tot je dood. Je vraagt iets dat noch met je krachten noch met je jeugdige leeftijd overeenstemt. Je bent een mens, Phaëthon, maar wat jij wenst gaat menselijke krachten te boven. Je reikt naar meer dan wat zelfs aan goden gegund is. Niemand - behalve ik - is in staat de zonnewagen te besturen. Zelfs de heerser op de Olympus die de verschrikkelijke bliksems slingert, kan deze wagen niet besturen. En wie is nu machtiger dan Jupiter?

Het begin van de tocht is steil; daar kunnen de frisse paarden maar moeizaam omhoog geraken. Het midden is het hoogste punt van de hemel; zelfs mij beangstigt het uitzicht daar op zee en aarde; dan bonkt mijn hart van angst. Het laatste gedeelte is steil bergaf en vereist een leiding met vaste hand. Tethys vreest gewoonlijk dat ik daar halsoverkop zal neerstorten. Voeg daarbij nog dat de hemel zich in een ononderbroken wenteling verplaatst, waarbij hij de hoge sterren meesleurt in een snelle draaiing. Ik zwoeg daartegenin en ik word niet overheerst door die snelheid.

Veronderstel dat ik je mijn wagen uitleen: wat zou je dan doen? Zul je dan de draaiende polen kunnen passeren zonder door hun snelheid te worden meegesleurd? Je denkt dat je tocht gemakkelijk zal zijn, maar het is een weg vol hinderlagen, tussen monsters door. Om op de juiste weg te blijven, moet je langs de horens van de Stier die je onderweg zult tegenkomen, langs de Schutter en de Leeuw met zijn felle muil, langs de Schorpioen die zijn scherpe scharen spant in een grote boog, en ook voorbij de Kreeft die hetzelfde doet, maar in een andere richting. Je zal het niet gemakkelijk hebben om de paarden te mennen door hun inwendig vuur dat ze uit hun muil en neusgaten blazen. Mij dulden ze nauwelijks, en als hun fel gemoed echt kookt, dan zijn ze koppig en verdragen ze de teugels niet.

Zoon, wees toch wijs, maak mij niet de schenker van een dodelijk geschenk, verander je wens nu het nog kan! Het bewijs dat ik je vader ben, is mijn angst voor je welzijn. Kies iets uit de onschatbare rijkdommen van hemel, aarde en zee en het zal je niet geweigerd worden! Slechts dit vraag ik je: zie af van wat geen gunst is maar een straf, Phaëthon! Waarom sla je nu je armen rond mijn hals als een smekeling? Hou op met twijfelen. Je zal krijgen wat je vraagt, dat heb ik gezworen bij het water van de Styx, maar doe alsjeblieft een verstandiger verzoek."

Zo beëindigde hij zijn vermaning. De jongeman bleef hem tegenspreken en zette zijn wensen door, brandend van verlangen naar dat paardenspan...