Uit LIBER QUARTUS DECIMUS en QUINTUS DECIMUS
 

Minne Langedock

3 LaWi

2001-2002
 

De hemelvaart van Romulus, Rome’s eerste koning

Na Tatius’ regering kwam Romulus aan de macht en die bestuurde beide volken volgens dezelfde wetten. Toen sprak Mars tot de oppergod van aarde en hemel: "Vader! Het uur heeft geslagen, Rome heeft zich gegrondvest en laat zich door een leider besturen. Vervul nu uw beloften waar uw kleinzoon recht op heeft door hem op te nemen in de hemel. U hebt me tijdens een zitting van de godenraad, ik herinner het me nog alsof het gisteren was, beloofd een van je zonen te begeleiden naar de godenwoning. Laat die uitspraak nu in vervulling gaan." De opperheerser knikte.

Toen werd de lucht bedekt door een duister wolkendek en de aarde werd opgeschrikt door donder en bliksem. Mars begreep dat dit het teken was tot de beloofde hemelvaart. Hij besteeg zijn wagen en zonder vrees zweepte hij de paarden op. Hij gleed steil omlaag de lucht door en landde boven op de met bomen begroeide Palatijn. Daar velde Romulus als rechter vonnissen voor het volk. Plots werd Romulus, tijdens een vonnis, opgetild en zijn lichaam verdween als een afgeschoten kogel in de ijle lucht. Toen verscheen een stralend hoofd, de beeltenis van Quirinus, in koningskleed.

Romulus’ vrouw, Hersilia, wordt in de hemel opgenomen

Hersilia, Romulus’ echtgenote, beweende haar man... Toen gaf Juno Iris de opdracht van haar regenboog af te dalen om de weduwe de volgende boodschap te brengen: "Vrouw, vergiet geen tranen meer, jij die zo’n edel sieraad bent van Latium en het Sabijnse volk. Jij, die met eer Romulus’ eerste echtgenote was, bent nu die van Quirinus. Als je je echtgenoot wilt weerzien, leid ik je tot aan het bos dat met zijn loof het heiligdom van Rome’s vorst beschaduwt op Quirinus’ heuvel."

Hersilia durfde uit ontzag nauwelijks haar blik opslaan maar zei: " Godin, ik weet geen naam om je aan te spreken, maar ik weet zeker dat je een godin bent, leid me. Leid me naar de plek waar ik mijn man kan zien. O, als ik dit nog eenmaal beleven mag, voel ik me als het ware in de hemel. Toen beklom Hersilia, geleid door Iris, Romulus’ heuvel. Daar daalde plots vanuit de lucht een ster op de aarde neer. De ster gaf Hersilia een lichtkrans van stralend haar en tilde haar hoog in de hemel. Hersilia werd er ontvangen in de armen van haar Romulus. Hij veranderde haar naam en noemde haar Hora en ze is nu de godin naast Quirinus.

Numa wordt Romulus’ opvolger; hij gaat naar Croton om te leren

Intussen was men wel op zoek naar een man die zo’n zware taak aankon en zo’n grote koning kon vervangen. Fama, voorspelster van de waarheid, wees de beroemde Numa als heerser aan. Numa, zeer leergierig maar niet tevreden dat hij slechts de levensregels van de Sabijnen kende, streefde naar het hogere en onderzocht de aard van dingen. Om kennis op te doen verliet hij zijn Sabijnse stad, Cures, en trok naar Croton, gaststad van Hercules. Toen Numa informeerde wie die Griekse stad had gesticht, kreeg hij van een oude, wijze inwoner van Croton het volgende antwoord:

De stichting van Croton

"Hercules, de zoon van Jupiter, bereikte na een vlotte vaart de kust van Lacinium met een rijke buit van Spaanse runderen. Terwijl zijn vee mals gras afgraasde, verbleef (zo zegt men toch) Hercules in het gastvrij huis van de machtige Croton om er uit te rusten van zijn zware tochten. Bij zijn vertrek zei Hercules: "Als uw kleinzonen straks volwassen mannen zijn, zal hier een stad staan."

Wat Hercules beloofd had, gebeurde en dat kwam door Myscelus. Deze Myscelus was een Griek, de zoon van Alemon uit Argolis en bij de goden in die tijd geliefd. Op een nacht, toen Myscelus in diepe slaap verzonken was, boog de godheid met de knuppel over zijn bed en zei: ‘Verlaat je vaders stad en zoek de kiezelrijke stromen van de verre Aesar op.’ Dreigend met verscheidene vreselijke dingen als hij niet zou gaan, verliet de god zijn kamer. Myscelus schoot overeind en herhaalde stil bij zichzelf wat hij zojuist gedroomd had. Hij zat lange tijd in tweestrijd: de god zei hem te vertrekken, de wet verbood hem te vertrekken, want de doodstraf dreigde voor iedereen die zijn vaderland ontrouw werd.

De zon was ondergegaan en de nacht heerste weer over de aarde. De god verscheen weer met dezelfde opdracht en sprak dezelfde straf uit als Myscelus zou falen. Myscelus besloot in doodsangst de nieuwe plek te zoeken, maar de mensen protesteerden: Myscelus werd aangeklaagd wegens schending van de wet. Toen bij de eerste ondervraging, zonder dat ook maar een getuige gehoord was, zijn schuld werd aangenomen, riep hij wanhopig de hemel toe:’Jij, die door twaalf werken god mocht worden, breng mij hulp, ik smeek je! Jij bracht mij tenslotte tot deze daad!’

Het was een oude gewoonte om het vonnis te vellen met zwarte en witte steentjes; zwart gaf schuldig, wit onschuldig aan. Hiervan maakte de jury ook toen gebruik. Het zag er niet goed uit voor Myscelus, elk steentje dat in de urne viel, was zwart. Maar toen die urn werd leeggeschud om de stemmen te tellen, bleken de steentjes wit!

Hercules had de steentjes veranderd zodat het vonnis gunstig was en Myscelus de vrijheid kreeg. Myscelus bracht daarom zijn dank aan Hercules. Hij voer op goede winden de Ionische zee over, langs Tarente, een kolonie van Sparta. Daarna voerde zijn reis langs Sybaris en langs het Sallentijnse Neretum, langs de Sirisbaai, Crimisa en tenslotte over de velden van Japyx. Na vele moeizame zwerftochten langs die kustgebieden vond hij dan toch de monding van de Aesarstroom. Dicht bij de stroom vond hij het aarden graf met de gewijde resten van Croton. Daar stichtte hij, zoals bevolen was, de stad met de naam van de daar begraven Croton. Dat is in de volksmond de overtuigende verklaring van Crotons ligging op het Italiaanse grondgebied."

Pythagoras en zijn leerstellingen

In Croton leefde de Griekse filosoof Pythagoras. Hij was Samos en Samos’ tirannie ontvlucht. Hij had voor ballingschap gekozen uit afkeer van de alleenheerschappij... Pythagoras’ gedachten waren groot, hij zag dingen die van nature niet aan mensenblikken gegund waren. Toen zijn studie over het heelal beëindigd was, ging hij mensen daarover onderwijzen. Zwijgend en diep geboeid door wat hij zei, vernamen zijn leerlingen de oorsprong van het heelal en leerden ze over de natuur en haar bestel.

Ze leerden wat goden zijn, waar sneeuw vandaan komt en over het ontstaan van bliksem, of het Jupiter is die met wolken dreunt en dondert of de wind. Hij toonde hun aan waardoor de aarde schokt, zo ook de loop en de regelmaat van de sterren, kortom zowat alles wat nog verborgen was. Hij was de eerste die het eten van dierenvlees veroordeelde, hij als eerste gaf deze wijze, maar niet goed verstaanbare les:

"Mensen! Bezoedel je rein lichaam niet meer met misdadig voedsel. Er is graan en er is fruit in overvloed. Er zijn druiven die in de zon aan wijnstokken zwellen. Hoeveel malse gewassen en groenten kunnen we niet zacht stoven of koken. Niemand heeft een tekort aan roomwitte melk of honing met de bloesemgeur van tijm. Moeder aarde schenkt ons rijke oogsten, eetbaar voedsel en tafels vol met spijzen. We hebben daar geen bloedvergieten en moord voor nodig! De meeste dieren die honger voelen eten grassen: zo heb je paarden, runderen en schapen. Alleen wilde, ontembare dieren zoals de Armeense tijgers, woeste leeuwen, beren en wolven houden van maaltijden waar het bloed moet vloeien.

Het is een misdaad je eigen pens met pens te vullen, je eigen vlees te spekken met het vlees van anderen. Het is gruwelijk om zelf te leven door andere levende wezens te vermoorden! De aarde schenkt ons zoveel rijkdom en toch willen we onze tanden zetten in smakelijke hespen en tekeer gaan als woeste Cyclopen. Men moet de honger van een vraatzuchtige maag niet genezen door een ander dier te doden!

Ooit is er een tijd geweest, de Gouden Eeuw genoemd, waarin we alleen maar Moeder Aarde’s gewassen aten; onze mond was niet besmeurd met bloed. Toen vlogen de vogels nog ongehinderd door de lucht. Een haas huppelde volkomen onbevreesd door het open veld. Een vis bleef niet aan een vishaak hangen. Intriges bestonden niet, men had nog nooit van vals bedrog gehoord, er was alleen maar vrede. Toen werden enkele mensen jaloers op de goden bij het zien van hun offervlees. Sufferds gingen hun maag volproppen met vlees en zo wezen ze de weg naar moord. Van toen af aan verwarmde ieder zwaard zich aan het bloed van dierenoffers en daar ligt de grens.

Goed, beesten die mensen beletten, worden doodgeschoten, maar doodschieten kan je niet vergelijken met verorberen! Het ging van kwaad naar erger: men beweerde dat het eerst geslachte zwijn zijn dood verdiend had, omdat het met zijn snuit naar zaad gewroet had en zo de oogst bedorven was. Een bok werd als straf geofferd aan Bacchus omdat de bok een wijnstok vernield had. Deze dieren stierven door eigen schuld, maar waarom worden schapen dan geslacht? Schapen, nuttig en vreedzaam vee, geven uit hun uiers overvloedig veel melk. Door hun wol kan de mens zich in zachte kleding hullen: ze zijn ons nuttiger levend dan dood.

Waarom ossen slachten? Het zijn dieren zonder enig kwaad, ze zijn onschadelijk voor een zware last geschapen. De mens is ondankbaar en verdient zijn graanoogst niet als we onze trouwe akkervriend slachten omdat de kromme ploeg hem te zwaar wordt. De nek van de os is afgebeuld door het zware werk, had zo vaak de stugge kluiten omgekeerd en de oogst opgehaald, en toch klieven we hem met de bijl. Het blijft niet bij dit onrecht. Men geeft zelfs de hemel de schuld van dit kwaad, omdat de mens denkt de goden blij te maken met het slachten van een stier.

Het offerdier, een vlekkeloos en prachtig exemplaar wordt bij het altaar neergelegd. Daar getooid met goud en offerlint aanhoort hij gebeden die hij niet kent. De stier krijgt korrels graan over zijn kop gestrooid waar hij zelf voor gezwoegd heeft. Dan kleurt het slachtmes dat hem wondt, rood door bloed. Direct daarna worden zijn ingewanden uit zijn warme lichaam getrokken om daaruit de plannen van de goden te lezen. Waarom waagt de mens daarvan te eten? Is de honger naar verboden voer zo sterk? Daarom: doe het niet en luister naar mijn woorden. Als jullie van het vlees van jullie geslachte ossen wilt gaan proeven, bedenk en voel dan dat jullie op jullie eigen werkvee kauwen!