Uit LIBER DECIMUS
 

Orpheus en Eurydice: eerste deel van het verhaal
 

Mehdi Zagheden

3 LaMt

1999-2000
 

Orpheus nodigt Hymenaeus uit...

Hymenaeus, de huwelijksgod, kwam van een pas afgesloten huwelijk ergens op het eiland Kreta naar het land der Thrakiërs. Hij was door Orpheus geroepen om zijn huwelijk met Eurydice bij te wonen. Maar de god liet geen bruiloftsliederen horen, nergens zag men blije gezichten; men zag zelfs geen enkel gunstig voorteken. Integendeel, alles wees op een slechte afloop, en dat zou niet lang daarna bewaarheid worden door de dood van de pas getrouwde bruid, Eurydice.

Toen Eurydice met haar schare nimfen door het gras wandelde, gaf een adder haar een giftige beet en de ongelukkige Eurydice stierf. Orpheus vergoot veel bittere tranen en smeekte de goden om zijn vrouw terug te krijgen, maar zijn gebeden werden niet verhoord. Hij kon echter niet zonder haar leven en nam een besluit: hij zou haar zelf terughalen. Dus ging hij naar de Hades, het dodenrijk. Hij waagde zich tot bij Taenarum, de toegang tot het schimmenrijk. Daarna begaf hij zich naar de Styx waar hij overal menigten lichaamloze schimmen doelloos zag ronddolen.

Tenslotte stond hij voor Proserpina en Pluto. Hij zei: "Luister naar mijn smeekbede"; hij begeleidde zich op zijn lier en begon te zingen: "Ik ben naar de Tartarus gekomen, niet uit nieuwsgierigheid, maar uit liefde voor Eurydice. Mijn liefde is te groot en ik kan niet zonder mijn Eurydice leven. Door een slangenbeet is ze uit haar jonge leven weggerukt. Ik smeek jullie, geef haar het leven terug; als dat niet mogelijk is, neem mij dan ook onder de doden op, want ik wijk niet meer van haar zijde."

Zijn lied was zo ontroerend dat de schimmen hun kwellingen vergaten. Zo greep Tantalus voor even geen wijkend water, Ixions rad stond stil en de gier bij Tityus had even geen honger. Ook de Danaïden onderbraken het vullen van hun bodemloos vat en Sisyphus hield een ogenblik op met zijn rotsblok op de heuvel te duwen. Zelfs de wraakgodinnen pinkten enkele tranen weg... De goden van de onderwereld waren zo ontroerd door het lied dat ze besloten dat hij zijn geliefde mocht terughebben, maar op een voorwaarde: hij mocht niet omkijken naar haar voordat ze het dal van het Avernus-meer hadden bereikt; daarna mochten ze weer samen zijn.

Maar het onvermijdelijke gebeurde: toen ze bijna op de aarde waren keek Orpheus achter zich, om te kijken of ze er wel echt was of uit verlangen. Hij had maar een glimp van haar opgevangen of ze viel al terug in het duister; het enige wat hij nog kon horen was een vage vaarwel. Tot zijn grote angst zag hij haar Cerberus voorbijgaan. Hij verloor pas zijn angst toen hij zichzelf verloor; zijn lichaam leek versteend. Zo waren Olenus en zijn onzalige vrouw Lethaea echt versteend: die prees zo haar eigen schoonheid dat Olenus zich schuldig voelde of zich schuldig wilde voelen, en beide voelden zich zo verbonden dat ze versteenden tot rotsen op de Ida. Nogmaals waagde Orpheus het om klagend naar de Tartarus af te dalen, maar de voerman weigerde hem nog eens mee te nemen.

Orpheus bleef daar zeven dagen en zeven nachten aan de oever van de Styx zitten, vol ongeloof om wat er gebeurd was: hij zou zijn Eurydice nu voor altijd moeten missen... Hij verweet de goden dat ze wreed waren en trok zich terug in afzondering in de Thrakische bergen. Drie jaar na dit pijnlijk ogenblik vermeed hij nog altijd de liefde; Venus was volgens hem de oorzaak van zijn ellende, want zij had hem verliefd laten worden op Eurydice. Veel vrouwen voelden iets voor de goddelijke zanger, maar ze werden allemaal genegeerd. In Thrakië was Orpheus de eerste om de liefde te bedrijven met jonge knapen...
 

Cyparissus

Orpheus zat in een groene vlakte; nergens in de verte kon je een plekje met schaduw bespeuren. Toen de zanger op zijn lier begon te spelen, zat hij plots in de schaduw van een van Dodona's bomen. Er kwamen nu van overal bomen; onder hen de bomengroep van de Heliaden, Daphne's laurier, een es, een steeneik waarvan de takken onder de eikels plooiden, een plataan, een ahorn met bonte kleuren en van de waterkant kwamen knotwilgen, lotusbomen, een buxusboom, hoogslanke tamarisken, een mirtestruik, een sneeuwbalstruik en zelfs klimop naar het gezang luisteren. Er waren ook nog wijnstokken, olmen, bergessen, sparren en wilde aardbeistruiken.

Tussen die menigte van bomen herkende Orpheus een kegelvormige cipres die vroeger een jonge knaap was geweest: Cyparissus, die dood Apollo werd bemind. Hoe was Cyparissus dan veranderd in een boom? De nimfen in de omgeving van Cartheia eerden een reusachtig hert met een groot gewei; zijn takken blonken als goud en aan zijn zachte hals hingen snoeren met juwelen die tot op zijn zachte vacht hingen. Aan een riempje bengelde een zilveren medaillon op zijn voorhoofd, en parels zo groot als bessen glansden langs zijn slapen. Het dier was ongelooflijk tam. Soms ging het binnen in huizen van mensen voor voedsel of om gestreeld te worden. Cyparissus, de mooiste knaap die ooit leefde op Ceos, was meer gehecht aan het dier dan om 't even wie anders. Hij was een echte vriend voor het hert. Hij verzorgde het en bracht het naar de vruchtbaarste plekjes of naar de zuiverste bronnen. Cyparissus mocht soms op de rug van het hert zitten, als een blijk van dank.

Op zekere dag in de zomer, op het heetste uur van de dag, had het vermoeide dier zich neergevlijd in het gras in de schaduw van een boom en leste daar zijn dorst. Cyparissus, jong en onvoorzichtig, zag het dier niet liggen en niets vermoedend wierp hij een speer in de richting van de plaats waar het hert zich bevond. Daarna ging Cyparissus kijken wat voor mooie buit hij misschien had getroffen, maar stelde vol afgrijzen vast dat hij zijn geliefde hert had doorboord. Langzaam zag hij uit het zwaar getroffen dier het leven wegebben....

Apollo zei tot Cyparissus dat hij niet mocht verder treuren, maar hij treurde verder. Hij smeekte de goden hem voor eeuwig te laten rouwen om zijn stervende vriend. Plots voelde hij dat zijn bloed en zijn tranen verdwenen, zijn lichaam vertoonde plots groene vlekken, zijn mooi haar veranderde in een weelderige kruin en hij kon zich niet meer bewegen. Apollo snikte en zei: "Ik zal nu altijd om jou treuren, en jij om een ander. Je zult het symbool zijn van verdriet."