Uit LIBER TERTIUS DECIMUS
 

Maud Vandekerkhove

3 LaWi

2000-2001
 

Philoctetes is mijn vriend en hij is koning, maar hij haat mij verschrikkelijk. Hij spreekt voortdurend onheil uit over mij. Hij mag wensen dat hij me nog eens te pakken krijgt om me te doen afzien, om met mij te doen wat hij wil, zoals ik deed met hem, want ik heb hem veel pijn gedaan. Maar toch zal ik hem proberen naar hier te brengen; ik zal door offers aan Fortuna proberen zijn pijl en boog te bemachtigen.

Fortuna heeft me vroeger bijgestaan toen ik die Trojaanse priester in mijn macht kreeg en zo het lot van Troje te weten kwam, en toen ik het Trojaanse Palladium, het godenbeeld uit de tempel van Minerva, dwars door Troje heb meegeroofd! Zou Ajax kunnen zeggen dat hij hetzelfde heeft gedaan? Je weet dat Fortuna het Pallasbeeld eiste vooraleer Troje ten onder kon gaan. Waar bleef die sterke Ajax toen, de held met de grote mond? Waarom was hij bang toen ik, Odysseus, ‘s nachts langs de bewakers sloop? Waarom was hij niet bij me toen ik de stadsmuren van Troje bereikte en zelfs tot bij de top van de burcht geraakte om het Palladium uit de tempel te sleuren en het dwars doorheen de linies naar hier te brengen? Als ik dat niet had gedaan, dan was er tevergeefs gevochten om Troje te veroveren! Die nacht is onze zege over de stad Troje behaald! Ik heb er toen voor gezorgd dat we de overwinning konden behalen!

Bespaar me je klachten, Ajax, natuurlijk deelt Diomedes in die overwinning. Was jij soms alleen toen je de vloot van je bondgenoten beschermde? Jij had troepen naast je, ik die ene makker… Diomedes heeft goed begrepen dat vechten minder waarde heeft dan denken, anders had hij ook gevraagd om de wapens van Achilles te mogen bezitten; maar hij snapte tenminste dat deze wapens geen beloning kunnen zijn voor brute kracht! Ook andere helden hadden die wapens kunnen opeisen omdat ze even dapper zijn als jij, maar niemand heeft het gedaan omdat ze in mij hun meerdere erkennen als het op verstand aankomt!

Jouw kracht is op het slagveld nuttig, maar zonder mijn leiding is je vechtlust niets waard. Jij strijdt zonder er bij na te denken, daarom ben ik er voor de goede afloop en jij voor het vechten. Het uur wanneer er gestreden wordt, bepalen Agamemnon en ik. Jij kunt alleen helpen met je lichaam, wij met ons denkwerk. Een stuurman op een schip leidt toch ook de roeiers? Een veldheer, leidt toch ook zijn soldaten? Ik leid jou dus! Want mijn kracht wordt beheerst door mijn verstand; dat is pas ware kracht!

Dus, kameraden die de wapens moeten toewijzen, geef de wapens aan iemand die ze verdient. Beloon de inzet die ik jarenlang op gevaar voor mijn leven betoond heb. Schenk me iets dat dezelfde waarde heeft als mijn trouwe dienst. De strijd loopt naar haar einde, ik heb de obstakels overwonnen die het lot in onze weg had geplaatst; ik heb Troje al veroverd door dat Palladium weg te halen. Ik smeek bij de goede afloop van de oorlog, bij alles wat ik zojuist geroofd heb en bij wat er met wijsheid, inzicht en voortvarendheid nog niet bereikt is, dat jullie aan mij zullen denken. Als jullie mij de wapens toch niet schenken, geef ze dan aan dit beeld", en hij wees op het Palladium, het noodlot van Troje.

De beslissing over de wapens van Achilles

Odysseus maakte indruk op Agamemnon en door zijn welsprekendheid kreeg hij de wapens van Achilles. De man die in zijn eentje Hector aankon en zo vaak vuur, staal en zelfs Jupiter weerstond, kon zijn woede niet langer de baas. Hij kon amper zijn tranen bedwingen! Hij nam zijn zwaard en riep: "Is dit nog steeds van mij of is dit nu ook van Odysseus? Dit zo vaak met Trojaans bloed besmeurde wapen hoort niet meer bij mij en zal daarom besmeurd worden met het bloed van zijn meester. Ajax kan enkel zichzelf verslaan, iemand anders kan dit niet!"

Waarna hij het zwaard tussen zijn ribben stak; dit was de eerste wonde die hij ooit opliep. Hij had geen kracht genoeg om het wapen uit zijn lijf te trekken: het zwaard kwam samen met het bloed vanzelf naar buiten. Toen de grond doordrenkt was met bloed, groeide er in het jonge gras uit het bloed van Hyacinthus een purperen bloem, met in de kroonbladeren de letters A en Y, tweeduizend keer voor man en jongen: de naam Ajax en de klacht van Hyacinthus.

De winnaar zette koers naar Lemnos, het land van koning Thoas en zijn dochter Hypsipyle (waar vroeger de beruchte mannenmoord had plaatsgehad); daar ging hij de boog van Hercules ophalen. Toen hij met Philoctetes en de boog bij de Grieken was aangekomen, werd eindelijk de laatste wrede strijd gestreden: Troje viel.

Het einde van Troje

Priamus verloor. Hecuba, de arme vrouw die alles al verloren had, veranderde nu ook nog van gedaante: met haar vreemd geblaf verbaast zij verre kusten aan de lange Hellespont. Troje stond nog in brand en het water had het vuur nog niet helemaal geblust. Het altaar van Jupiter droeg sporen van het dunne bloed van Priamus. Cassandra, de priesteres van Apollo, werd bij de haren meegesleurd terwijl ze haar armen naar de hemel uitstrekte.

De Trojaanse vrouwen klemden zich vast, zolang het kon, aan godenbeelden, te midden van de vlammen van de tempel, maar werden tenslotte door de Griekse overwinnaars als buit weggevoerd. Astyanax werd van de muur gegooid vanwaar hij vaak naar zijn vader Hector had gekeken; daar had hij gezien hoe zijn vader voor zijn stad had gestreden. De noordenwind zorgde voor de terugreis, een stevige bries deed de zeilen klapperen; daarvan wou elke stuurman gretig nuttig gebruik maken. "Troje, vaarwel! Wij zijn hun buit…" Zo klonk de kreet van de vrouwen terwijl zij de grond van Troje kusten en hun stad in vlammen zagen opgaan.

De laatste die aan boord ging, was Hecuba. O droevige herinnering … Ze was bij de graven van haar zonen aangetroffen, zij klampte zich vast aan de aarde, met haar lippen op hun resten, tot Odysseus haar daar wegtrok. Maar toch nam ze van een, van Hector, wat as mee die ze in haar kleed bewaard had. Op zijn graf liet zij een grijze haarlok achter, een klein offer voor haar zoon: wat tranen en dat grijze haar…