Uit LIBER TERTIUS DECIMUS
 

Marlies Deloffer

3 LaMt

2000-2001

Vurig als een leeuwin die, van haar jonge welp beroofd, de jagers al op het spoor is zonder hen te zien, zo liep ook Hecuba, ten prooi aan smart en woede, op Polymestor toe die deze laffe moord bedreven had. Ze dacht niet aan haar hoge leeftijd, wel aan haar zelfrespect toen ze om een ontmoeting vroeg. Ze liet hem weten dat zij hem de rest van het goud wilde wijzen, dan kon hij het aan haar zoon geven.

De Thrakiër geloofde het in zijn hebzucht, ontmoette haar in het geheim en zei haar met zijn sluwe vleiersstem: " Hecuba, aarzel niet, geef mij die goudschat voor je zoon. Ik zweer je bij de goden, alles wat je geeft en vroeger gegeven hebt, zal hij ontvangen." Nors keek zij hem aan, die valse leugenaar! Zij kookte van woede en riep snel om hulp naar haar gevangen lotgenoten. Ze greep hem vast, stak haar vingers diep in zijn huichelende ogen en trok die uit hun kassen - in haar woede werd ook zij gewelddadig! Haar met schurkenbloed besmeurde handen rukten hem zelfs die holle kassen zonder ooglid uit het hoofd!

De Thrakiërs, ontsteld over de dood van hun koning, bestookten de Trojaanse vrouw met wapens en een regen van keien, maar Hecuba hapte met rauw gegrom naar alles wat op haar afkwam. Terwijl haar mond nog woorden trachtte te vormen, jankte ze luid! Die plek bestaat nog altijd; na dit voorval sprak men van ‘Hondengraf’, want Hecuba is daar nog lang, denkend aan haar leed, droef blijven janken in de velden van Thrakië. Haar lot ontroerde niet alleen het volk van Troje, maar ook de Griekse vijand, ja zelfs alle goden, tot Juno toe; want zij, zuster en vrouw van Jupiter, heeft zelf gezegd dat Hecuba zo’n einde niet had verdiend.

Aurora treurt om Memnon

Aurora had geen aandacht voor het ontluisterende lot van Hecuba en Troje, ook al stond zij altijd aan de zijde van de Trojanen: eigen verdriet kwelde de godin, haar eigen rouw om het verlies van Memnon. Zij had hem voor de muur van Troje zien sterven door Achilles’ speer. Toen had ze haar glans, waarmee de vroege ochtend zich roze kleurt, verloren; daglicht ging in wolken schuil.

Toen zijn lichaam op het vuur lag om verteerd te worden, verdroeg haar moederhart die aanblik niet: met wapperend haar wierp zij zich, zonder schaamte voor haar droefheid, aan de voeten van Jupiter en sprak door tranen heen:

"Ik mag de minste zijn van allen die jouw gouden rijk bewonen, want op aarde heb ik maar heel weinig tempels, maar toch blijf ik een godin... Ik kom je niet om tempels vragen, ook niet om offerdagen met een brandend altaarvuur. Als je bedenkt hoe ik jou steeds gediend heb doordat ik met nieuw daglicht altijd weer de nacht verjaag, dan zou je mij, Aurora, wel kunnen belonen. Maar mijn groot verdriet vraagt niet om verdiende eer. Ik kom omdat ik Memnon heb verloren, die voor niets zo dapper de strijd inging ter wille van zijn oom en nu zo jong moest sterven door Achilles’ kracht. Zo wilden het de goden... Eer hem, ik smeek je, met iets wat troost brengt in de dood, en stil zijn moeders smart, o godenvader!"

Jupiter had nog niet geknikt of hoog oplaaiend vuur greep Memnon op zijn doodsbed aan; donkere rookkolommen namen het daglicht weg, zoals wanneer een brede mist wordt uitgeademd door rivieren en daar geen zonlicht doorkomt. Een zwarte aswolk zweefde omhoog, verdichtte zich tot een compacte massa die eerst vorm kreeg, daarna levenswarmte aan het vuur ontleende en door eigen lichtheid vleugels kreeg. Eerst leek het op een vogel maar al snel werd het een echte vogel, luid klapwiekend met zijn vleugels. Tegelijk klonk het geklap van talloos vele vogelzusters van dezelfde oorsprong.

Zij zwermden driemaal rond de brandstapel, driemaal klonk hun klacht eenparig door de lucht totdat zij bij de vierde ronde uiteen zwermden in twee woeste legers. Ze bevochten elkaar van links en rechts, pikten met snavels en gekromde klauwen naar borst en vleugels van de vijand en storten vervolgens neer, als laatste eer voor Memnons as; ze waren immers zijn verwanten en getuigden zo van hun ontstaan. Die plots geboren vogels werden naar hem genoemd: zij heten de Memnoniden. Telkens als de zon zijn twaalf tekens voorbij is, vechten zijn hun doodsstrijd uit, in naam van Memnon.

Toen dus het geblaf van Hecuba zo triest weerklonk, kwijnde Aurora in haar eigen leed; altijd zou ze wenen om haar zoon en die tranen zijn nog steeds de dauw op de wereld.

Aeneas verlaat Troje en reist naar het Avondland

Toch stond het lot niet toe dat met zijn muren ook Troje’s toekomst verloren ging; Venus’ zoon Aeneas redde de Penaten en hij torste een tweede, goddelijke last eerbiedig mee: zijn vader, en ook Ascanius, zijn zoontje. Dit was alles wat Aeneas van al zijn rijkdom meenam. Hij vluchtte met zijn vloot vanuit Antandrus over zee; hij liet het misdadig strand van Thrakië, dat land waar Polydorus’ bloed gevloeid had, ver achter zich. Dankzij gunstige wind en gunstig tij kwam hij met zijn gezellen aan op Delos.

Anius, de koning van dat volk en tevens priester van Apollo, nam hen op in zijn paleis. Hij liet hun zijn stad zien, de vermaarde tempels en de twee ‘geboortebomen’ waartegen Latona eertijds steun gezocht had toen ze beviel van Apollo en Diana. Nadat zij wierook op het vuur hadden gegooid, wijn hadden geplengd en de ingewanden van het offervee verbrand hadden zoals dat hoorde, keerden zij terug naar het paleis en genoten van Ceres’ graan en Bacchus’ wijn.

Toen zei de vrome Anchises: "Waarde priester van Apollo, misschien vergis ik mij, maar toen ik ooit je stad bezocht, had je een zoon en ook vier dochters, als ik me het goed herinner..." Anius knikte instemmend; zijn witte priesterlinten schudden mee. Toen zei hij droevig: "Grote held, je hebt gelijk; jij zag mij ooit als vader van vijf kinderen terwijl ik nu bijna kinderloos hier bij jou zit. Zo grillig gaat het lot met mensen om...Wat heb ik aan een zoon die ver weg is? Hij bewoont een eiland dat ook naar hem genoemd is, Andros, waar hij regeert als plaatsvervanger van zijn vader. Apollo schonk hem zienersgaven.

Een heel andere gunst schonk Bacchus aan mijn dochters, groter dan en mens bedenken of wensen kan, want alles wat door hen werd aangeraakt, veranderde in koren, in wijn of in Minerva’ s olijven, en het nut van mijn meisjes was dan ook reusachtig... Toen Atreus’ zoon, de vernietiger van Troje, hiervan hoorde ( bedenk dat wij op Delos een deel van de oorlogsellende hebben gekregen), liet hij de meisjes onder dwang van wapens weghalen en gaf hen bevel dat zij het Griekse leger moesten voeden door hun wonderbare gaven.

Maar mijn dochters ontsnapten, elk naar waar zij kon: twee dochters naar Euboea en de andere twee naar Andros, naar hun broer. Het Griekse leger volgde, dreigde met een aanval als hij hen niet terugzond. Mijn zoon zwichtte uit vrees: hij heeft zijn zusters aan de Griekse wraaklust uitgeleverd. Het was laf, maar ik kon het hem vergeven omdat hij geen Aeneas had of geen Hector die voor Andros kon vechten. Maar vlak voordat de boeien zich sloten rond hun polsen, hieven zij in vrijheid nog de armen naar de hemel op en riepen: ‘Vader Bacchus! Bied ons hulp!’ En hij hielp, als men van hulp mag spreken bij een wonderlijk verlies: want zij verloren opeens hun vorm, ik kan niet zeggen hoe, ik heb het nooit begrepen, maar de afloop is bekend: zij kregen veren en werden witte duiven, vogels van je eigen Venus..."