Uit LIBER QUINTUS
 

Marieke Vervisch

3 LaWi

1996-1997
 

Ceres ontdekt een spoor van haar dochter

Het zou te lang duren om iedere landstreek waar Ceres rondzwierf en alle stromen waar ze langskwam op te sommen... Vergeefs zocht de ontroostbare godin de hele wereld af. Opnieuw aangekomen op Sicilië zocht ze verder en toevallig belandde ze ook bij Cyane. Als die maar niet veranderd was, dan had ze Ceres wel alles verteld! Nu had Cyane mond noch tong; ze had wel iets willen zeggen, maar kon natuurlijk geen woord meer uitbrengen.

Toch gaf ze een duidelijk teken, want Proserpina's ceintuur - die haar moeder maar al te goed kende! - lag daar in de gewijde bron (Proserpina had die tijdens de roof verloren); nu liet Cyane de gordel op haar water drijven. Toen Ceres die ceintuur herkende, scheen ze de schaking van haar dochter pas echt te begrijpen...

Ze rukte aan haar onverzorgd haar en sloeg zichzelf op de borst. Ook al wist ze nog niet waar haar dochter zich bevond, toch verweet ze alle landen dat ze ondankbaar waren. En Ceres maakte de gave van het graan ongedaan, vooral op Sicilië waar ze de sporen van de misdaad ontdekt had... Onbarmhartig deed ze elke ploegschaar breken en stuurde de pest af op de boeren en het ploegend vee: de akkers mochten geen vruchten meer dragen! Sicilië, wijd en zijd vermaard om zijn vruchtbaarheid, lag er dor bij: het graan verging reeds in de kiem of had te lijden onder zon en regen, stormen brachten het onherstelbare schade toe en vogels pikten de pas gezaaide korrels weg; dolik en distels matten de korenvelden af, onkruid overwoekerde de halmen die toch gegroeid waren...

Maar toen dook Arethusa, een nimf uit Elis en bemind door Alpheius, op uit haar bron en riep Ceres toe: 'Jij, moeder van het koren, moeder die overal haar kind zoekt, staak die lange tocht, temper je razernij tegen dit land waar je zo geëerd wordt. Het is niet eens mijn eigen land waarvoor ik pleit: ik kwam hier als vreemde, mijn stad is Pisa, mijn familie stamt uit Elis. Maar ook al woon ik hier dan niet als inheemse, geen grond is mij zo lief! Ik, Arethusa, heb mijn bron en mijn thuis nu hier, en jij moet die beschermen! Wees toch genadig! Waarom ik ooit mijn stad Pisa in Elis verlaten heb en ver over zee naar Ortygia ben gevlucht, zal ik later wel vertellen, op een beter tijdstip, als je zorgen voorbij zijn en als je gezicht niet meer zo somber is.

Ik ben dwars doorheen de aarde naar hier gekomen; de aarde heeft me doorgang geboden; via diepe ruimten voortgestuwd stak ik hier mijn hoofd op, hier zag ik na lange tijd de sterren weer. Wel, terwijl ik onder de aarde stroomde, zag ik je dochter Proserpina bij de Styx. Ze zag er bedroefd uit en ze had nog steeds een verschrikte blik in de ogen. Maar ze zat wel als koningin in het rijk der schimmen aan de zijde van Pluto, de god van de dood.'
 

Ceres pleit bij Jupiter

Ceres zat er als versteend bij en leek verslagen. Toen ze de diepe schok verwerkt had, steeg ze met haar wagen naar de hemel waar ze met een boze gelaatsuitdrukking en met wijd loshangend haar voor Jupiter ging staan. Met een hart vol haat zei ze:

'Ik kom je smeken voor ons eigen kind. Als ik als moeder geen gehoor vind bij jou, laat dan tenminste jouw vaderhart spreken. Beschouw haar toch niet als minderwaardig omdat ik haar het leven heb geschonken! Pas na lang zoeken ben ik eindelijk te weten gekomen waar mijn dochter zich bevindt, en dat "lang zoeken" wil zeggen dat ik mijn kind vreselijk mis. Ik ben bereid de rover te vergeven, als hij haar maar terugbrengt... Nee, onze dochter moet toch niet met een ontvoerder trouwen?'

Jupiter antwoordde: 'Mijn dochter is mij even lief en dierbaar als jou, maar laat me toe alles in het juiste perspectief te zetten. Wat hier gebeurd is, is bepaald geen onrecht; er is alleen maar liefde in het spel! Die schoonzoon zal ons zeker niet teleurstellen, Ceres; laat hem maar doen. Alleen al Jupiters broer zijn is niet niks, maar komt daar niet nog heel wat bij? Slechts door het lot doet Pluto voor mij onder! Maar goed, als jij zo graag een scheiding wenst, mag Proserpina weer naar de hemel komen op voorwaarde dat ze in de onderwereld geen voedsel heeft geproefd - dat is nu eenmaal een vaste wet van de Schikgodinnen!'
 

Ascalaphus verraadt Proserpina

Maar hoewel Ceres vastbesloten was haar dochter te redden, kreeg ze van het lot geen kans: het meisje had in de onderwereld immers al gegeten! Toen ze, van niets wetend, door de tuin liep, had ze een granaatappel van een lage tak geplukt, had zeven pitten uit de roze schil gepeuterd en had ze in haar mond gestopt. Geen mens had dat gezien behalve Ascalaphus, ooit door de stroomgod Acheron verwekt bij Orphne, een van de bekendste nimfen van het Avernus-meer, en in een donker bos gebaard.

Ascalaphus had dus gezien dat Proserpina iets gegeten had en hij verraadde haar. Zo ontnam hij haar de kans om terug te keren naar de hemel... Zuchtend veranderde Proserpina de klikspaan in een onheilsvogel. Ze druppelde water van de Phlegethon op zijn hoofd waardoor snavel, kuif en grote ogen ontstonden. Hij kreeg ook bruine vleugels, zijn kop werd breed, hij klauwde zich vast met kromme nagels en tilde zijn vlerken moeizaam op. Hij was een lelijke vogel geworden, bode van naderend onheil: de nachtuil.

De straf die Ascalaphus kreeg was natuurlijk verdiend, maar hoe kwamen Acheloüs' dochters (die hun vrouwenhoofd behielden) aan hun vederkleed en klauwen? Misschien omdat zij Proserpina vergezelden bij het plukken van lentebloemen? Ze hadden hun gezellin overal tevergeefs gezocht en spraken al snel de wens uit om boven water te kunnen zweven zodat ze ook de zee konden afspeuren. En de hemel was hen goedgunstig, want ze zagen hun lichaam plots overdekt met blonde veren. Om hun ongeëvenaard zangtalent niet te missen, behielden ze hun meisjeshoofd en hun menselijke stem.

Jupiter, die de rol van bemiddelaar speelde tussen broer en zus, deelde het zonnejaar in twee helften in. Sindsdien heeft Proserpina als godin een dubbel rijk: zes maanden woont ze bij haar moeder, daarna zes maanden bij Pluto, waarbij ze ook van stemming en uiterlijk verandert. Haar goddelijke blik, die Pluto zo treurig vond, wordt stralend als een zonnetje dat van achter een dicht gordijn van regenwolken opnieuw opduikt.