Uit LIBER UNDECIMUS
 

Liselot Knockaert

3LaMt

1999-2000
 

De mannen barstten in tranen uit, stonden als versteend en beklaagden zich om hun zeemansgraf. Ze riepen de goden aan en beloofden hen veel, ze smeekten om hulp met hun handen naar de hemel gestrekt. De ene dacht aan zijn huis met al wat hem dierbaar was en dat nu achterbleef, de andere aan zijn familie. Ceyx dacht aan Alcyone, in zijn klachten hoorde je niets anders dan haar naam. Hoewel hij naar haar verlangde, was hij toch blij dat ze er niet was.

Hij wou graag nog voor de laatste keer kijken naar zijn land, naar zijn huis, maar wist niet in welke richting: door het hevig kolken van de zee, door de schaduw van de donkere wolken die de hemel deden verdwijnen en door de inktzwarte nacht werd het zicht belemmerd. Na een krachtige, natte windvlaag braken de mast en het roer; trots om die overwinning stortte een golf, hoger dan alle andere, zich met veel geweld op het schip. De kracht was groter dan wanneer je heel de Athos-berg en de Pindus zou losrukken om ze in zee te gooien...

Door het gewicht boorde de golf het schip de diepte in zodat de meeste mannen, verpletterd door de watermassa, niet meer boven kwamen en beseften dat ze verloren waren. Anderen probeerden stukken wrakhout van het schip te grijpen. Ook Ceyx probeerde zich met zijn hand (die meer een scepter gewoon was) aan een balk vast te klemmen en schreeuwde tevergeefs om hulp naar zijn vader Lucifer, naar Aeolus, maar nog het meest van al naar Alcyone. Hij riep haar, zag haar in gedachten en vroeg de zee om zijn zielloos lichaam te dragen naar de plaats waar Alcyone op de uitkijk zou staan, opdat ze met haar lieve handen zijn lichaam zou kunnen begraven. Ronddrijvend schreeuwde hij zo vaak hij kon 'Alcyone!' en al was ze ver, zelfs onder water kon je hem horen. Toen kwam er een grote golf opzetten die hem overspoelde en deed verdrinken.

Zijn vader Lucifer kleedde zich in rouw en was daarom die nacht niet goed te zien: omdat hij de hemel nooit mocht verlaten, verborg hij zich achter dikke wolken.
 

Juno wil Alcyone op de hoogte brengen

Intussen telde Alcyone, zonder te weten wat er gebeurd was, de nachten af. Ze was al druk bezig met de kleren die straks haar man (na zijn thuiskomst) en zij zelf gingen aantrekken en verheugde zich op een thuiskomst die er nooit zou komen. Dagelijks droeg ze wierookoffers op aan alle goden en vooral aan Juno's heiligdom bewees ze eer: ze knielde voor haar altaar, biddend voor haar man die niet meer leefde, smekend dat hij ongedeerd zou thuiskomen en haar niet zou in de steek laten voor een andere vrouw; alleen de allerlaatste wens kon uitkomen...

Maar Juno kon het smeken om het leven van een dode niet langer aanzien en kon niet verdragen dat er handen van een weduwe op haar altaar lagen. Daarom riep ze Iris: "Snel, mijn trouwe bode, ga naar de god van de Slaap en meld je bij zijn paleis. Hij moet zorgen dat Alcyone droomt van de pas gestorven Ceyx en dat ze zo verneemt wat er gebeurd is." Na deze woorden kleedde Iris zich met een sluier van duizend kleuren; ze werd als een wijde boog aan de hemel zichtbaar en landde, zoals haar bevolen was, bij het huis van de god van de Slaap dat diep in nevels verzonken lag.
 

Het paleis van de Slaap

Dicht bij het land van de Cimmeriërs ligt in een verborgen dal een grot, een holle berg: dat is de diepe woning van de loom makende Slaap. De zon kan daar, of ze nu op- of ondergaat, nooit binnen schijnen. Mist en nevelslierten vormen er een troebel schemerlicht. Er is geen vroege, trotse, haan die met zijn ochtendlijk kraaien Aurora uit haar bed zingt. De stilte wordt er door geen klank van wakende honden of ganzen (die nog beter waken dan honden) verbroken. Je hoort er nooit takken die door de wind bewegen, grote of kleine dieren of stemmen van mensen: er heerst diepe rust en stilte.

Je wordt slaperig door het zachte kabbelen van het water van de Lethe dat over rollende kiezelsteentjes voortglijdt en dat diep in de rots ontspringt. Buiten de ingang van de grot ligt er een veld van papavers en ontelbare kruiden, waar de dauw brengende Nacht haar slaapdrank haalt om over duister land te sprenkelen. Je kan er nergens een deur horen knarsen of het geluid van een scharnier horen, want er is geen deur en dus ook geen deurbewaker in heel het huis van de Slaap te bespeuren. In het midden van de grot staat een bed van zwart hout, bedekt met een zwarte sprei en veren kussens, waarop de Slaap zelf lui uitgestrekt ligt te rusten. Overal om hem heen krioelen vage schimmen, in allerlei vormen, zo talrijk als halmen bij de oogst, als al de blaadjes in het bos, als zandkorrels op het strand.

Toen Iris naar binnen ging en zich een weg baande door het dromenvolk, werd de zaal van de god verlicht door de glans van haar sluierkleed. De Slaap opende moeizaam zijn ogen, zwaar van loomheid en hoewel hij niet recht kon blijven zitten en knikkebolde met zijn kin tegen zijn borst, wist hij zichzelf te vermannen. Steunend op een elleboog vroeg hij wat ze kwam doen.(want hij herkende haar).

Zij antwoordde: "O, Slaap, jij die iedereen de nodige rust geeft, jij die de zoetste bent van alle goden, jij die door je slaap de mensen vredig maakt zodat ze even hun zorgen opzij kunnen zetten, jij die hun lichaam, uitgeput van zware arbeid, doet rusten en weer de nodige krachten geeft, geef aan je droomgestalten, die bestaande wezens kunnen nadoen, de opdracht naar de stad Trachis te gaan in de gedaante van koning Ceyx en Alcyone te laten dromen over zijn schipbreuk. Juno wil dit zo." Onmiddellijk na deze boodschap vloog Iris weer weg, want ze werd moe van die sterke slaaplucht, ze voelde de slaperigheid door haar lichaam trekken en snelde huiswaarts langs de boog aan de hemel waarlangs zij was gekomen.

Dus wekte vader Slaap uit dat ontelbaar aantal dromen een van zijn zonen, de meester van de gedaantewisseling, Morpheus. Geen ander kan beter en met meer bekwaamheid iemands houding , uiterlijk, stem en manier van spreken nabootsen. Bij iedereen kiest hij de beste woorden en de passende kledij. Hij bootst alleen mensen na, terwijl een broer van hem vaak vogels, zoogdieren of adders imiteert. Deze heet bij de goden Ikelus, maar bij de mensen Phobetor. Een derde broer heet Phantasus en hij vormt zich vakkundig om tot aarde, water, steen of hout, eigenlijk tot alles wat geen ziel heeft. Zij drieën laten 's nachts aan koningen en generaals hun valse beelden zien; de andere dromen zijn voor arme mensen. Maar nu trok de Slaap zich daarvan niets aan en koos hij een van de drie uit om het bevel van Iris uit te voeren, en dat was Morpheus. Daarna werd hij alweer moe en ging weer op zijn praalbed liggen, met het hoofd diep in de kussens.
 

Morpheus' boodschap

Morpheus vloog geruisloos door het duister. In korte tijd bereikt hij de plaats in Thessalië waar de burcht van Trachis lag. Hij deed daar zijn vleugels af en nam de gedaante van Ceyx aan. Met diens houding en uiterlijk, grauw als een dode, zonder kleren aan zijn lijf, was hij vlak voor het bed van zijn arme vrouw gaan staan. Zijn baardhaar was duidelijk doorweekt en zijn natte lokken klitten in slierten aaneen door het zeewater.

Gebogen over het bed zei hij met betraande wangen: "Herken je Ceyx nog, jij arme, arme vrouw, of ben ik te veel veranderd? Kijk maar goed, dan zul je merken dat ik je man niet ben, maar wel zijn schim. Al jouw gebeden, Alcyone, mochten ons niet helpen: ik ben verdronken. Je moet niet langer op mij wachten met valse hoop! Door een nevelrijke stormwind en door harde stortvlagen werd mijn schip in het Egeïsche water gebeukt tot het brak. Terwijl ik tevergeefs jouw naam riep, werd mijn mond overspoeld door golven. Dit is geen vals gedroomde boodschap die ik jou moet brengen, je luistert niet naar vage geruchten. Ikzelf, de drenkeling, kom jou hier melden wat er met mij gebeurd is. Sta op en ween, trek je rouwkleren aan en stuur mij niet zonder een dodenklacht naar het schimmenrijk in de Tartarus!"