Uit LIBER SECUNDUS
 

Liesbeth De Beul

3 LaWi

1996-1997
 

Phaëthon krijgt de zonnewagen

Samen gingen ze naar de prachtige zonnewagen, gemaakt van goud en zilver, waarin het zonlicht weerkaatste. Aurora had de purperen poorten van de rozenzaal in het oosten al geopend terwijl Phaëthon nog naar de wagen stond te kijken. De zonnegod gaf de Uren de opdracht om de paarden in te spannen toen hij Lucifer, de laatste ster, naar de aarde zag afdalen en merkte hoe rood de wereld kleurde. De vuurspuwende dieren deden zich te goed aan hun ruif vol ambrozijn en lieten zich gewillig het rinkelende tuig aangespen. De vader wreef Phaëthons gezicht in met goddelijke zalf tegen de hitte en zette tenslotte de stralenkrans op zijn hoofd.

De Zon slaakte diepe zuchten en gaf Phaëthon nog wat raad: "Phaëthon, je mag niet te kwistig zijn met de zweep, je moet je krachten sparen voor de teugels en geen steile routes nemen." Dan beschreef de Zon Phaëthons route en legde uit welke hemellichamen hij zou passeren. Hij mocht niet te hoog en niet te laag rijden. Aarde en hemel moesten gelijke warmte krijgen, anders zou een van beiden in brand kunnen schieten. Hij moest dus de middenweg nemen. Zijn vader bad tot Fortuna dat zij Phaëthon zou helpen.

Toen brak het ogenblik aan dat Phaëthon de wagen besteeg en hij niet meer op zijn beslissing kon terugkomen. Phaëthon was blij de teugels in handen te hebben en bedankte zijn vader, die dat liever niet had zien gebeuren...
 

Phaëthons tocht

De vier paarden van de Zon bliezen vlammen en hinnikten luid. Toen Tethys het hek geopend had, schoten ze snel weg. Door het lichte gewicht van Phaëthon schokte de wagen door de lucht en leek wel onbemand. De onervaren Phaëthon schrok van het geweld van de paarden en wist niet wat doen. Hoe kon hij greep krijgen op het span? Hoe kon hij in het oog houden waar de wagen heen moest? En als hij dat al zou weten, hoe zou hij dan de wagen daarheen kunnen loodsen?

Wat zich toen afspeelde, was nog nooit gebeurd. De Grote Beer werd warm door de zonnestralen en wou wegduiken in de zee die voor hem verboden terrein is; de Slang dicht bij het poolijs raakte verhit en kreeg nieuwe driften. Zelfs de Ossendrijver, traag door zijn wagen, vluchtte in paniek weg.

Phaëthon werd lijkbleek toen hij vanaf de duizelingwekkend hoge hemelboog de landen diep onder zich zag liggen. Toen speet het hem dat hij naar zijn afkomst had gevraagd. Hij wou weer kunnen geloven dat hij de zoon van Menops was, maar hij werd meegesleurd als een schip dat ten prooi gevallen is aan de golven. Bidden tot de goden scheen hem zijn laatste hoop toe. Wat kon hij anders doen? Achter hem bevond zich al een groot stuk lucht, maar voor hem lag een nog veel groter stuk. Met wanhoop in de ogen blikte hij naar het westen, dat hij door het noodlot nooit zou bereiken.

Toen bemerkte hij langs het pad dieren, enorm grote dieren. Hij kwam langs de Schorpioen... De jongen vierde de teugels toen hij zag dat de Schorpioen klaar was om toe te slaan. Zonder mennershand schoten de paarden weg door een onbekende luchtstreek. Niet wetend waar ze heen gingen en botsend tegen de sterren sleurden ze de wagen van de weg af. De Maan begreep niet dat de paarden van de Zon lager waren dan de hare.
 

De gevolgen van Phaëthons tocht

De wolken begonnen te roken en de hoogste toppen van de aarde brandden al. De grond spleet open en werd dor omdat alle vocht verdampte. Grasvlakten werden as, de bomen vlamden. Nog erger was dat hele steden met hun bevolking vernietigd werden. Alle bergen en vulkanen gloeiden, van de Athos tot de Olympus en de Alpen. De Etna brandde voor eenmaal zowel langs de buitenkant als langs de binnenkant... Phaëthon zag de aarde aan alle kanten in vuur staan, zelfs z'n wagen was gloeiend heet. Zijn zicht werd belemmerd door zwarte rook om hem heen. Hij wist niet meer waar hij was of waar hij heen ging.

Die dag kregen de Ethiopiërs hun zwarte kleur; die dag werd Libië een woestijn omdat door de gloed al het water was verdampt. De nimfen treurden om hun wateren die overal verdwenen waren. Zelfs grote, brede rivieren waren niet veilig want de rook steeg op uit de Don, uit de Peneius en nog vele andere stromen. De Xanthus, de zanderige Lykormas en de Meander kookten. De Eufraat in Babylon stond in brand samen met de Orontes, de Thermodon, de Ganges, de Phasis en de Donau. Het goud dat door de Taag vervoerd werd, begon langzaam te smelten. De zwanen die Lydië sierden, werden gestoofd. De zeven zandrijke monden van de Nijl waren nog slechts zeven geulen zonder water. De Strymon en de Hebrus droogden uit. Het water van de Rijn, van de Po, van de Rhône en zelfs van de machtige Tiber in het Avondland verdampten. Het aardvlak spleet uiteen en de goden van de onderwereld werden opgeschrikt door de plotse lichtinval. Het water van de zee trok zich terug, de zee werd een vlakte van droog zand waardoor nieuwe bergtoppen omhoog rezen en het aantal Cycladeneilanden groeide. Zeedieren zoals vissen en dolfijnen durfden zich niet meer uitleven. Zeehonden dreven levenloos op de golven. Er wordt verteld dat Nereus met zijn vrouw en dochters in lauwe grotten vluchtte. Driemaal waagde Neptunus zijn armen uit de zee op te richten, maar driemaal was de lucht te heet.