Uit LIBER SEPTIMUS
 

Lenny Knecht

3 LaMt

1998-1999
 

Na de pest

Verpletterd door zoveel onheil riep ik uit: 'O Jupiter, machtige vader! Als het waar is dat jij, zoals men vertelt, het bed hebt gedeeld met Aegina, Asopus' dochter, en dus mijn echte vader bent, red dan mijn volk of laat ook mij sterven en verdwijnen onder de aarde!' Jupiter antwoordde met een bliksemflits die door een knetterende donderslag versterkt werd. 'Ik voel je macht,' zei ik, 'en bid dat je besluit mij gunstig is. Het teken dat je mij zendt, geeft me vertrouwen.'

Toevallig stond ik bij een prachtige, breedgetakte eik die gewijd was aan Jupiter. Daar op de stam zag ik een stoet mieren met graankorrels; ze duwden hun enorme vrachten met hun kopjes voort langs een paadje in de rimpelige schors. Verbaasd over hun aantal riep ik: 'Jupiter, geef mij evenveel burgers als ik hier mieren zie en bevolk mijn stad!' De hoge eik trilde, kraakte en schudde met al zijn takken zonder dat er wind was. Ik was doodsbang, mijn haar stond recht overeind. Toch kuste ik de boomstam en de grond; hoewel ik niet echt durfde te hopen, bleef diep in mijn hart mijn stille wens voortleven...

De nacht brak aan, het ogenblik waarop mensen eindelijk rust vinden na een dag vol drukte. Ik droomde; ik zag dezelfde eik voor me, met al die takken, met al die mieren die de boom tak na tak hun gang liet gaan. Ik zag hem, net als 's middags, hard schudden, waardoor dat mierenvolk met al zijn graan verstrooid werd over het omliggende veld; daar werden de mieren opeens groter en groter, stonden op, verloren hun zwarte kleur, hun schrielheid en hun mierenpootjes en namen de vorm aan van mensen. De droom eindigde en toen ik ontwaakte, vervloekte ik die mooie beelden en treurde omdat de goden me niet hielpen.

Plots viel het me op dat in het paleis geroezemoes weerklonk; het leken wel mensenstemmen en dat was ik niet meer gewend. 'Ik droom nog altijd,' dacht ik toen Telamon binnenstormde en me van bij de deur toeriep: 'Vader! Kom snel buiten kijken! Je raadt nooit wat je daar ziet!' Ik haastte me dus naar buiten en zag dezelfde mannen als ik in mijn droom had gezien; een hele rij kwam op me af en groette me als koning!

Eerst dankte ik Jupiter, dan verdeelde ik het onbewoonde land onder deze nieuwelingen en noemde hen, naar hun afkomst, Myrmidonen - Mierenzonen. Je hebt hen zelf gezien; ze bezitten nog altijd hun vroegere eigenschappen: ze zijn spaarzaam, werken hard, streven naar winst en willen wat ze winnen ook bewaren. Die mannen, in moed en leeftijd een, zullen met jou ten strijde trekken als de oostenwind, die jou voorspoed bracht, weer naar het zuiden is gedraaid."
 

De Atheense gezant Cephalus begint een lang verhaal over zijn huwelijk met Procris

Die dag vertelden zij elkaar nog veel zulke verhalen. 's Avonds aten ze een heerlijke maaltijd waarna ze genoten van een verkwikkende nachtrust. De gouden zon kwam op en nog steeds blies de oostenwind toen de zonen van Pallas bij Cephalus hun opwachting maakten; gedrieën begaven ze zich naar het paleis. Maar de koning sliep nog en dus heette Phocus, zijn jongste zoon, hen welkom, want zijn broers Peleus en Telamon waren bezig soldaten voor het leger te keuren. Hij begeleidde de Atheense gasten naar een schitterende zaal waar hij samen met hen plaats nam.

Daar viel het hem op dat Cephalus een werpspies van een onbekende houtsoort bij zich had met een gouden punt. Om het gesprek na gebruikelijke uitwisseling van beleefdheden te laten vlotten zei Phocus: "Vaak zwerf ik door het bos omdat ik hou van jagen, maar toch weet ik niet precies van welk hout je speer is gemaakt. Het is geen essenhout, dan zou de kleur veel lichter zijn; als het kornoeljehout was, dan zou je knoesten moeten zien. Wat het dan wel is, weet ik niet, maar ik heb nog nooit een mooier wapen dan die speer van jou gezien." Een van de zonen van Pallas zei: "Het is inderdaad een prachtstuk en de trefkracht zal je bewondering voor het wapen nog doen stijgen, want het mist zijn doel nooit, zijn vlucht is nooit lukraak en het komt uit zichzelf bebloed en wel terug ook!" Phocus wilde er nu alles van weten: bestond er dan zo'n wapen? Was het soms een geschenk? Wie gaf zoiets moois? En Cephalus vertelde dat wat hij dacht te mogen vertellen, maar zei niet hoeveel leed de speer hem berokkend had... In zijn droefheid om de dood van zijn vrouw begon hij het verhaal in tranen: "Ach, Phocus, godenzoon, wie zou geloven dat dit wapen mij treurig stemt, en dat dit zo zal blijven zolang het lot mij in leven laat? Het heeft mij en mijn lieve vrouw alleen maar ongeluk gebracht. Had ik het ding maar nooit gekregen!

Mijn vrouw was Procris, Orithyia's zuster, wiens naam je wellicht bekender in de oren klinkt omdat Orithyia ooit geschaakt werd. Als je de schoonheid en het karakter van de zusters echter vergelijkt, was Procris meer het schaken waard! Haar vader was Erechtheus; hij gaf haar aan mij en ik gaf haar mijn liefde. Mijn geluk leek groot en was dat ook. Maar de goden lieten mij niet toe gelukkig te zijn, anders was ik nu nog gelukkig geweest, denk ik...

Een maand na ons huwelijk, toen ik op een ochtend mijn netten uitzette voor de hertenjacht, merkte de in saffraan geklede Aurora mij op - heel vroeg - van op de altijd bloeiende Hymettus. Ze had net de duisternis verjaagd en trok me ongevraagd mee. Laat de godin niet boos zijn als ik eerlijk spreek: al was haar roze aanschijn opvallend mooi, al heerst zij in het schemergebied tussen dag en nacht, al voedt zij zich met nectardruppels, ik hield enkel van Procris, zij alleen was in mijn hart en ik sprak voortdurend over haar. Ik bleef Aurora maar herhalen dat ik trouw bleef aan mijn liefde voor Procris. Aurora was beledigd en riep: 'Zwijg, stuk ondank! Hou je Procris, maar je zult er spijt van krijgen, dat kan ik je wel voorspellen!' Woedend liet ze me gaan...

Toen ik op weg was naar huis, drong de betekenis van haar woorden tot me door en ik kreeg een bang vermoeden dat mijn vrouw haar huwelijkstrouw geschonden had. Haar jeugd en schoonheid konden me wel doen denken aan mogelijke ontrouw, maar haar karakter niet. En toch... ik was een poos niet thuis geweest en de vrouw die ik zonet had ontmoet, was ook niet trouw...

Ach, wij minnaars zijn toch bang voor alles, is het niet? Ik nam me voor de trouw van mijn vrouw met geschenken op de proef te stellen. Aurora steunde mij in mijn jaloersheid en veranderde mijn uiterlijk. Zo keerde ik terug naar Athene en onherkenbaar betrad ik mijn huis. Er was geen spoor van kwaad in dat huis, enkel ongerustheid omdat ik nog niet van de jacht was teruggekeerd. Pas na talloze leugens werd ik bij Procris toegelaten.

Toen ik haar zag, bevroor ik. Bijna gaf ik mijn plan om haar te verleiden op; het kostte mij al moeite om de waarheid niet te vertellen en om haar niet te kussen, wat ik in normale omstandigheden wel had gemogen! Procris was bedroefd, maar in haar droefheid was ze mooier dan om het even welke andere vrouw: verdrietig zat ze naar mij te verlangen. Phocus, stel je eens voor hoe mooi ze was, hoe haar droefheid haar juist aantrekkelijk maakte! Ze wees mijn verleidingspogingen af, herhaalde steeds dat er maar een voor haar was op wie zij bleef wachten en dat ze, waar hij ook was, haar hart aan hem en aan hem alleen gunde. Voor ieder mens zou dat al voldoende bewijs zijn van haar trouw, maar niet voor mij; ik bood haar een fortuin voor een liefdesnacht, ik bood altijd meer en meer, tot ze ging aarzelen... Toen riep ik: 'Spijtig voor jou! Hier staat niet een minnaar maar jouw man! Ja, je bent betrapt!' Ze zweeg en vluchtte vernederd, vol schaamte het huis uit, weg van zo'n ziekelijk jaloerse man. Uit afkeer voor wat ik had gedaan, uit afschuw van alles wat man was, ging Procris zwerven door bergen en wouden, en wijdde zich aan de Diana's dienst.

Toen, in mijn eenzaamheid, voelde ik pas hoeveel ik van haar hield. Ik vroeg haar om vergiffenis, ik zei haar dat ik ook zou kunnen zwichten als ik zoveel geschenken aangeboden kreeg. Omdat ik haar dat had bekend en omdat ze voldoende wraak had genomen voor haar gekwetste gevoelens, kwam ze terug. De volgende maanden leefden we in zoete eendracht en ze schonk me zelfs een hond en deze werpspies, alsof ze zelf geen groot genoeg geschenk was voor mij. Over die hond had Diana gezegd: 'Niemand zal sneller kunnen lopen dat dit dier.' Je vraagt je misschien af wat er met de jachthond is gebeurd? Wel, ik zal je ook dat wonderbaarlijk en nooit gehoord verhaal vertellen.
 

Cephalus' tweede verhaal

Nadat Oedipus de raadsels had opgelost die niemand anders had begrepen en de duistere profetes, de sfinx, gestorven was, werd Thebe opnieuw door een plaag geteisterd. Veel boeren uit de streek waren bang voor een vos die vee verslond en zelfs mensen aanviel. We kwamen te hulp en omsingelden met een wijde jagerskring de akkers. Het dier sprong snel en licht over de valstrikken of brak dwars door de netten die we gespannen hadden. De honden werden losgelaten voor de achtervolging maar de vos schoot weg als een pijl uit een boog en liet de honden ver achter zich. Toen liet ik Laelaps, mijn hond, los. Nauwelijks had ik zijn riem gelost of niemand wist nog waar hij was. Op de grond zagen we wel sporen, maar Laelaps zelf was niet meer te zien. Hij liep snel als een speer, als een kogel die met de riem van een slinger wordt weggeschoten, als een dunne rieten pijl uit een Kretenzische boog.

Ik wandelde naar de top van een kleine heuvel en zag Laelaps en de wilde vos. De hond scheen de vos te kunnen bijten, maar deze kon steeds ontsnappen aan die beet. De vos vluchtte opzettelijk niet het wijde veld in, maar misleidde Laelaps door in bochten te rennen, wat Laelaps snelheid deed verliezen. Toch bleef hij volgen maar haalde de vos niet in, hij beet maar hapte in lucht. Ik besloot om met mijn speer de vos te doden. Terwijl ik de speer richtte en ik met mijn vingers steun wou geven aan de leren band, wendde ik mijn ogen even van de dieren af. Toen ik opnieuw keek, zag ik tot mijn grote verbazing twee stenen dieren: een dat vluchtte en een dat jaagde. Kennelijk wilden de goden dat geen van deze dieren de wedstrijd verloor."