Uit LIBER QUINTUS DECIMUS
 

Kobus Langedock

3 LaWi

2001-2002
 

Ik werd uit de wagen geslingerd maar bleef met mijn voet in de teugels hangen. Mijn darmen werden uit mijn buik gerukt. Ik bleef aan een boomstronk hangen en werd volledig uiteen gereten. Ik hoorde en voelde mijn botten stuk voor stuk breken. Als je mij daar had zien liggen sterven, had je geen enkel lichaamsdeel herkend. Ik was een verminkte, bloede- rige massa.

Zelfs jij, Egeria kunt je ongeluk niet meer meten met het mijne. Ik heb de duistere Hades gezien, heb mijn lichaam gebaad in de Phlegethon en was zelfs nooit teruggekeerd naar het leven zonder het krachtige middel van Aesculapius. Want door diens krachtige kruiden en Apollo’s hulp kwam ik, ondanks het protest van Pluto, weer tot leven. Opdat mijn verschijning door dit voorrecht geen afgunst zou wekken, goot Diana nevels om me heen en zorgde ze ervoor dat ik mij in alle veiligheid in het openbaar zou kunnen vertonen door mij wat ouder en onherkenbaar te maken.

Na veel twijfel of ze mij naar Delos of Kreta zou brengen, besloot ze mij naar geen van beide te voeren. Maar naar hier te brengen. Ze deed mij mijn naam, die al te veel aan paarden deed denken, afzweren. Ze zei: ‘Vroeger was je Hippolytus, nu leef je voort als Virbius.’ Sindsdien woon ik dus in dit bos en als een aardse godheid wijd ik mij aan Diana, door wie ik beschermd wordt."

Egeria verandert in een bron

Toch vond Egeria’s verdriet geen troost in het verhaal van andermans leed. Ze lag languit aan de voet van een berg en smolt weg in tranen. Totdat Diana, Phoebus’ zus, de droevige nimf uit eerbied voor haar trouw veranderde in een koele bron en haar tot eeuwig stromend water verdunde.

Het wonder van Egeria wordt vergeleken met drie andere vroeg-Romeinse gebeurtenissen

Dit wonder raakte de nimfen diep. Hippolytus stond ook verbijsterd, hij leek op die ploegende Etrusk die in open veld, een aardkluit zomaar, zonder dat er iemand bijstond, zag veranderen in een man die met zijn nieuw geboren stem de toekomst begon te voorspellen. Zijn naam was, volgens de Etrusken, Tages, en hij was de eerste die de Etrusken de toekomst leerde openbaren…

Misschien leek Hippolytus op Romulus, die ooit eens op de Palatijn zijn speer in de grond plantte en zag dat zijn speer blad kreeg! Het ijzer zag hij veranderen in wortels en in plaats van een wapen, stond er een boom met wiegelende takken voor zich die schaduw bood aan het stomverbaasde volk… Of misschien leek hij op Cipus, die in de Tiber zijn hoofd gekroond zag met twee hoorns. Cipus dacht dat dat beeld gezichtsbedrog was, maar toen hij meermaals met zijn vingers tastte, merkte hij dat zijn blik hem niet bedroog.

Hoewel hij op weg was naar Rome na een zege op de vijand, bleef hij ter plekke staan. Hij keek en strekte zijn armen naar de hemel en riep:"O Goden! Wat dit teken ook beduidt: indien het geluk brengt, laat het dan zijn voor heel het land en volk van Romulus, indien gevaar dreigt alleen voor mij…" En op een altaar, gemaakt van groene zoden stortte hij wierrook in het vuur, plengde uit een schaal, liet dieren slachten en raadpleegde hun nog trillende ingewanden.

Daarin zag een Etruskische voorspeller grote veranderingen in de staat, hoewel nog niet duidelijk was welke. Maar toen hij van de organen naar Cipus keek, en diens horens zag, riep hij: "O wees gegroet als koning! Dit gebied van Rome zal u, gehoornde majesteit, gehoorzaam zijn! Aarzel niet langer, Cipus, en haast je naar de stad. Want daar zal je veilig en lang heersen."

Maar Cipus deinsde terug, wendde zijn hoofd van de stad af en zei:"Nee! Weg ermee! De hemel verdrijft zo’n teken! Het is beter dat ik ver van mijn land wegga dan dat het Capitool zo’n koning moet zien…" Waarop hij zijn horens verborg achter zijn zegekrans en het volk en de eerbiedwaardige senaat bijeenriep. Toen stapte hij het aarden podium op dat snel door zijn mannen was opgericht, riep volgens de oude riten de goden aan en zei:

"Een van jullie zal hier heersen, tenzij jullie hem uit de stad verjagen. Ik noem hem niet, maar beschrijf hem wel. Hij heeft horens op zijn hoofd en de ziener zegt dat hij, zodra hij de stad betreedt, slavernij zal brengen. Hij had nu al in de stad kunnen zijn - de poort is open -maar ik heb dat verhinderd, ook al staat hij dichter bij mij dan bij wie dan ook. Jullie, burgers van Rome, mogen hem de stad niet inlaten. En als hij toch zou komen, sluit zijn dreiging dan uit door hem vast te ketenen of te doden."

Het gemompel dat daarop volgde klonk als het gesuis van hoge pijnbomen wanner de gure oostenwind, of als de golven in de zee, wanneer je van op afstand luistert. Maar boven alles klonk een vraag: wie is hij? Allen keken naar de mensen rondom zich om te zien of er toevallig iemand met horens bij was. Maar dan sprak Cipus weer en zei: "Hier is wie jullie zoeken!"

Waarop hij zijn krans afzette en zijn voorhoofd met beide horens toonde, hoewel het volk hem zei dit niet te doen. Er klonk een kreet van spijt. Eerst wendde men de blikken af, maar dan keek men toch, met tegenzin, naar hem. Niemand kon dit geloven van iemand die zoveel roem had verdiend. En omdat ze niet duldden dat Cipus verder ongeëerd zou blijven, drukten ze de feestkrans weer op zijn hoofd. Omdat hij nu de stad niet meer mocht betreden, heeft de senaat hem een stuk grond geëerd dat zo groot was als een ossenspan met de ploeg in een dag. En in de bronzen stadspoort werden de horens afgebeeld, als teken van de wondere gedaante.

De komst van Aesculapius naar Rome

Een vreselijke pest had ooit de lucht in Latium besmet. De mensen die vaal en uitgeput waren, waren bedroefd om hun doden. Ze zagen in dat niets hielp, noch mensenkracht, noch dokterskunst, en zochten godenhulp. Ze reisden naar het navelpunt van Moeder Aarde: Delphi, waar de tempel van Apollo staat. Ze smeekten hem om een verlossende voorspelling waardoor hun stad van de ondergang zou gered worden.

Onmiddellijk gingen de tempel, de laurierboom, en zelfs de pijlen van het godsbeeld bewegen. En uit de diepte klonk een zware stem die zei: "Wat jullie zoeken, Romeinen, hadden jullie eerder kunnen vinden. Zoek dichterbij naar hulp, ook nu. Het is niet Apollo die jullie zal helpen, maar zijn zoon. Ga met goede tekenen en vraag mijn zoon om bijstand." Toen de senaat dit had vernomen, zochten ze op waar Apollo’s zoon Aesculapius zijn tempel had en lieten ze een schip uitvaren naar de kust van Epidaurus.

Toen de gezanten in Epidaurus waren aangekomen, zochten ze de Griekse raad op en vroegen naar de god die verlossing zou brengen. Sommigen vonden dat die hulp niet te weigeren was, maar anderen meenden dat men geen goden en geen eigen veiligheid mocht afstaan. Ze bleven twijfelen, zelfs in de nacht.

Maar die nacht verscheen de god zelf. Een van de Romeinen zag hem naast zijn bed staan, hij zag eruit zoals in de tempel: in zijn linkerhand had hij een herdersstaf en met zijn rechterhand streelde hij zijn lange baard. Hij zei vriendelijk:"Ik zal jullie volgen, wees niet bang, bekijk goed de slang die rond mijn scepter kronkelt, zodat je ze kunt herkennen, want ik zal die gedaante aannemen, weliswaar groter, zoals bij een god past." Toen verdween het droombeeld.

Het was al ochtend toen de gezanten- die niet wisten wat ze moesten doen met het verzoek van Aesculapius- zich naar diens tempel haastten. Ze vroegen hem aan te tonen waar hij wilde wonen. Ze waren amper uitgesproken toen er een luid gesis klonk. In het midden van de tempel stond een slangengedaante met het bovenlichaam hoog opgericht. Hij had een gouden kam en een blik die vuur spatte. Zijn komst bracht de hele tempel tot sidderen. De menigte verstijfde van schrik.

Maar dan riep de priester: "Het is de god! De god! Iedereen, eer hem in hart en woorden! O, schone god, laat je verschijning een zegen zijn, bescherm het volk dat je eert!" Waarna iedereen de god eer betuigde en de woorden van de priester herhaalde. Ook de Romeinen toonden diepe eerbied, zowel in gedachten als luidop.

De god knikte een aantal malen in hun richting, wat een betrouwbaar teken van hulp was. Hij siste en flitste ook een aantal malen met zijn tong. Hij gleed de marmeren trap af, maar wendde zijn hoofd nog eens achterover, als afscheid van zijn oude heiligdom, als een laatste groet aan die vertrouwde plek. Hij repte zich over de grond die vol met bloemen stond, kronkelde zich met zijn enorme lichaam dwars door Epidaurus, naar de plaats waar de haven met een ronde dam beveiligd is.

Hij leek de stoet van mensen met milde blik te danken voor het uitleiden en gleed aan boord van het Romeinse schip. Er heerste vreugde bij hen. Ze slachtten een stier, bekransten het schip, gooiden de trossen los en voeren weg met een licht briesje in de zeilen. De godheid stak hoog boven de scheepsrand uit. Zijn kop lag op de kromme achterplecht en keek uit over de blauwe zee.

Gestuwd door de zachte wind had hij door de Ionisch zee de zesde dag Italië bereikt. Hij voer langs Lacinium met Juno’s beroemde tempel, langs de kaap van Sylacaeum en passeerde Japygia, omzeilde de Amphrisijnse klippen aan bakboord en het steil Celennium aan stuurboord, zag Rhometium, Narycia en Caulon liggen, voer veilig door de waterengten van Messina, langs het rijk van Aeolus, langs de Temesaanse kopermijnen in de richting van Leucosia en de warme rozenkust van Paestum.

Dan koerste hij af op Capri en Minerva’s voorgebergte, de heuvelruggen van Sorrento, edel door hun wijn, langs Herculaneum, langs Napels, rustplaats bij uitstek, en vandaar naar Cumae met de tempel van Sibylle. Dan Baiae met zijn warme baden en Liturnum, rijk aan mastixbossen, langs het woelige water van de Volturnus en Sinuessa, de stad van de witte duiven. Via het warme Minturnae met Cajeta’s graf ging het verder naar waar Antiphates had gewoond, naar het door moeras omgeven Trachas, naar Circe’s streek en de stenen kust bij Antium.

Toen de bemanning daar het zeilschip landwaarts roeide, omdat er te ruwe zee stond, rolde de goddelijke slang zich uit en gleed na vele bochten en enorme kronkelingen zijn vaders tempel in, die daar aan het strand gelegen was. Pas toen de zee bedaard was en de god uit Epidaurus Apollo’s altaar en bescherming niet meer nodig had, trok hij zijn spoor weer door het zand, met luid gekraak van zijn schubben. Hij nam opnieuw plaats achter het roer. Zijn kop rustte hoog tegen de achtersteven tot men Castrum en het heilig Lavinium voorbij was en de Tibermond bereikte.