Uit LIBER TERTIUS DECIMUS
 

Kimberly Maricau

3 LaMtWi

2000-2001
 

Ik kon alles goed zien; Polyphemus stond na deze klaagzang op en liep rusteloos rond, als een woeste stier die van zijn koe gescheiden is. Hij zwierf door zijn vertrouwde bossen tot hij me vond, in de schoot van Acis. Wij waren ons van geen kwaad of gevaar bewust.

Maar Polyphemus schreeuwde met een stem die zelfs de Etna deed beven: ‘Ik zie jullie wel, jullie laatste Venusuurtje heeft geslagen!’ Ik dook in mijn doodsangst het water in. Ook Acis sloeg op de vlucht en riep: ‘Help me, Galatea, ik smeek je… Vader! Moeder! Help! Als jullie me niet verbergen in jullie wateren, ben ik verloren!’ Maar de Cycloop zat hem al op de hielen en gooide een rotsblok dat hij uit een berg gerukt had. Acis werd verpletterd, hoewel alleen een hoekje van het gevaarte hem raakte. Ik was machteloos en kon alleen toestaan wat het lot beschikt had: Acis kreeg dezelfde krachten als zijn vader en moeder.

Van onder de rots drupte een felrood bloedspoor, maar na een tijdje begon de kleur van het bloed te veranderen en kreeg het de kleur van een rivier die door een stortbui vertroebeld is en langzaam weer helder wordt. Daarna barstte de rots die Acis gedood had; op die plaats groeiden doorheen de spleten slanke en welige rietpluimen en bruiste water. En - wonderlijk om zeggen - daar verrees plots uit dat water een man, zijn hoofd was omkranst met gevlochten riet. Het was Acis, maar zijn nieuwe verschijning was groter en was waterblauw. Zijn naam bleef bestaan, maar hij was in een rivier veranderd."

De nimfen zwommen weg in de kalme golfslag toen Galatea haar verhaal verteld had. Scylla die de diepe zee vreesde, wandelde op het strand waar ze naakt bleef ronddwalen en af en toe verfrissing zocht in een stille inham van de kust.

Vervolg van het verhaal over Scylla

Vanuit de diepe zee verscheen Glaucus, een nieuwe zeebewoner, die onlangs in Athedon bij Euboea in een zeegod was veranderd. Hij werd hopeloos verliefd toen hij Scylla zag, maar zij rende weg uit angst, ondanks zijn geruststellende woorden; ze zocht een toevlucht op een hoge berg bij de kust. De top van deze berg stak als een spitse punt boven het zee-oppervlak uit en de met bomen begroeide helling liep af naar de zee. Ze voelde zich daar veilig en bleef staan. Van daaruit keek ze verwonderd naar de verschijning waarvan ze niet wist of het een monster of godheid was.

Ze zag zijn kleur en zijn haar dat zijn schouders bedekte; ze zag een vissenstaart die heen en weer sloeg en die zijn onderlijf vormde. Glaucus leunde op een nabij gelegen rots, voelde haar blik en riep: "Ik ben geen monster en ook geen woedend ondier, meisje lief. Ik ben een watergod die evenveel kracht bezit als Proteus of Triton. Ik ben ook een mens geweest maar ik was blijkbaar voorbestemd om in de diepe zee te leven; ook als mens was de zee mijn leven, ik werkte alleen op zee. Daar trok ik mijn netten naar de kust of wierp ik mijn hengelsnoer in zee van op een rots.

Naast die rots lag aan de ene kant een strand dat aan een groene weide grenst; daar groeiden kruiden waarvan nog nooit een koe, een schaapje of een bokje geproefd had; daar had geen bij naar honing gezocht, daar waren nooit bloemen voor een krans geplukt, daar had geen mens een kapmes gehanteerd.

Terwijl mijn vistuig daar lag te drogen, was ik de eerste die de weide betrad. Ik haalde mijn vis uit mijn netten. De ene stapel had ik met mijn net gevangen, de andere had ik met mijn hengel bovengehaald.

Wat toen gebeurde vond ik verdacht, maar daar heb ik nu niets meer aan. Terwijl mijn vangst op het gras lag, begonnen de vissen te glijden, te draaien en te kronkelen op de grond alsof ze in zee zaten. Ik zag mijn hele vangst in zee verdwijnen; ik stond versteld toe te kijken. Toen de vis verdwenen was, vroeg ik me af of er hier een god of toverkruid aan het werk was geweest. Maar ik twijfelde of een kruid zoveel kracht kon bezitten om dit te laten gebeuren; zo stond ik daar nog lang te twijfelen.

Toen plukte ik een handvol gras en zette er mijn tanden in. Nauwelijks had ik de onbekende sappen geproefd of ik voelde een brandend verlangen naar een ander element: water! Blijven staan was onmogelijk; ik riep de kuststreek vaarwel toe en zei: ‘Ik keer hier niet meer terug!’ Dan sprong ik in de diepe zee en liet me door de golven omringen.

De goden namen mij op in hun gezelschap en vroegen Tethys en Oceanus mij van mijn sterfelijkheid te verlossen, wat ik een grote eer vond. Mijn mens-zijn werd me ontnomen door een spreuk die negenmaal werd uitgesproken; daarna kreeg ik de opdracht me in honderd stromen te wassen; onmiddellijk stroomden de rivieren van overal toe om me met hun water te overdekken.

Meer kan ik je niet vertellen want toen verloor ik het bewustzijn. Wat ik je wel nog kan vertellen: na mijn terugkeer voelde ik dat ik iemand anders geworden was, dat mijn geest iemand anders toebehoorde. En als je nu kijkt naar mij, zie je wat ik zag: deze zeewiergroene baard, al dit haar dat ik ver achter mij meesleep over de zee, mijn reusachtige schouders, mijn zilverblauwe armen en mijn voeten die omgebogen zijn tot een vissenstaart. Maar wat ben ik met dit alles, dit lichaam, deze goddelijkheid? Dat betekent niets als jij niet om me geeft!" Maar Scylla vluchtte voor de god die deze woorden had gesproken en nog zoveel wou zeggen. Boos en bitter om Scylla’s onwil trok Glaucus naar het huis van de tovenares Circe, de dochter van de Zonnegod.