Uit LIBER PRIMUS
 

Kevin Dereyne

3 LaWi

1997-1998
 

Het ontstaan van de wereld

Bij het ontstaan van de wereld was er niets anders dan complete chaos

Voordat zee, land en lucht apart bestonden, zag de hele natuur er hetzelfde uit; men noemde die ongevormde en ongeordende massa Chaos. Geen zon of maan verlichtten deze wereld, er was nog geen aarde waar de lucht omheen lag, er waren geen stranden of kusten waar land en water elkaar raakten. Aarde, zee en lucht waren ergens en nergens, geen element bestond op zichzelf. Alles was terzelfder tijd koud en warm, vochtig en droog, hard en zacht, zwaar en licht.
 

Na de Chaos de Kosmos

Een godheid maakte uit de Chaos iets leefbaars: na die ingreep straalde de zon vanuit de hemel; daaronder lag de lucht en onderaan bevond zich de aarde, omspoeld door water.
 

De schepping en inrichting van de aarde

Toen alle elementen hun plaats hadden gekregen, stelde die godheid orde op zaken. Hij kneedde de aarde tot een ronde bol. De zeeën begonnen te bewegen en de eerste stormen die uitbraken, verspreidden het water over alle continenten. Ook kwamen de eerste moerassen, meren, bronnen en stromen te voorschijn. Ze werden door hun oevers tegengehouden en mondden uit in zee waar ze oevers voor stranden verwisselden. De wereld was opgesplitst in drie elementen: aarde, water en lucht...

Open velden ontstonden, bergen en dalen werden gevormd en de eerste planten en bomen ontkiemden. De aarde kende van dan af dezelfde indeling als de hemel: vijf banen, met in het midden de evenaar, de warmste plaats op aarde en daarom onbewoonbaar. Tussen de koude noordpool en het warme evenaarsgebied, en tussen diezelfde evenaar en de zuidpool lagen gematigde zones, waar winter en zomer elkaar afwisselden. In de lucht boven de aarde, vond die godheid, moest er nevel kunnen zijn, regen, donder, bliksem en geweld van winden.
 

De vier winden

De wereldarchitect liet de winden niet allemaal uit dezelfde richting waaien maar liet hen blazen naar verschillende kanten. Door hun ongetemde kracht en hun onderlinge ruzies konden ze overal grote schade veroorzaken. Eurus, de oostenwind, waaide vanuit Arabië en Perzië, landen waar de bergen schitterden in het ochtendlicht; Zephyrus, de zachte westenwind, blies vanuit het land waar het strand zich verwarmde aan het dalend zonlicht. Boreas, de ruwe noordenwind, waaide uit de kille noordelijke contreien; Auster, de zuidenwind, veroorzaakte niets dan donkere wolken en regen.
 

De hemel en de voltooiing van het heelal.

Boven de hemel met de winden plaatste hij de aether, die geen gewicht had. Nauwelijks was het uitspansel compleet of langs de hemel lichtten sterren op, waarvan vele samen een groep vormden die men sterrenbeelden noemde; ze waren vroeger al wel aanwezig maar bleven aan het zicht onttrokken door dichte wolken. Van dan af fonkelden alom sterren en werd de hemel bewoond door goden. In het water kwam leven door vissen en andere waterdieren, op het land kwamen de roofdieren te voorschijn en in de lucht spreidden vogels hun vleugels.
 

Het ontstaan van de mens

Er ontbrak nog een wezen dat intelligenter was dan de dieren: de mens, met besef voor het goddelijke, bestemd om over alles te heersen. En de mens ontstond om de wereld nog leefbaarder en beter te maken dan ze al was.

Prometheus, zoon van Japetus, schiep de mens naar het beeld van de goddelijke heersers. De mens onderscheidde zich van de dieren doordat hij rechtop liep: hij werd met het hoofd rechtop geboren opdat hij alles zou kunnen waarnemen. De aarde, die eertijds vormeloze klomp, kreeg een heel nieuw uitzicht door de komst van de mens.
 

De Gouden, Zilveren, Bronzen en IJzeren eeuw

De Gouden Eeuw

In de Gouden Eeuw leefden de "gouden" mensen: iedereen was gelukkig, eerlijk en rechtschapen; niemand kende angst of vreesde straf. Iedereen was eerlijk tegenover alleman, er zat geen kwaad in de mensen. Bijgevolg moesten er geen wetten opgesteld worden en moesten geen rechters vonnissen vellen; toch leefde iedereen veilig. Geen bomen werden omgehakt om boten te maken, die later de zee zouden bevaren om andere landen te ontdekken; iedereen was volmaakt gelukkig waar hij nu was.

Doordat overal vrede heerste, moesten er geen grachten gegraven worden om steden te versterken, geen wapenuitrusting moest gebruikt worden voor een leger. Geen akkergronden moesten worden bewerkt of geploegd, alles groeide immers vanzelf. De mensen plukten vol vreugde alle mogelijke soorten vruchten... Er was eeuwige lente waarbij zachte westenwinden waaiden over de bloemen. Nu kiemde ook het graan en schoten de halmen op over de velden die nooit bewerkt waren... Er was overvloed aan alles!
 

De Zilveren Eeuw

Toen het mooi leven verdween door de verbanning van Saturnus, brak een mindere tijd aan waarin Jupiter de macht had: de tijd van de "zilveren" mensen. Die tijd was wel slechter dan de Gouden Eeuw, maar men leefde nog altijd in vrede. De eeuwige lente werd afgewisseld door andere seizoenen; zomer, herfst en winter keerden jaarlijks terug. De heldere wolken van voordien kleurden nu grijs en donker en het werd veel kouder, de mensen moesten huizen bouwen om zich tegen de seizoenen te beschermen. Dieren moesten de mensen helpen om voedsel te bekomen omdat vruchten en graan niet meer vanzelf groeiden. Zo moesten ossen ploegen voorttrekken om de akkers te bewerken.