Uit LIBER SEPTIMUS
 

Kenny Merlevede

3 LaWi

1998-1999
 

Medea verjongt Jasons vader

Als dank voor de thuiskomst van hun zonen, brachten de moeders van de Argonauten en de oude vaders offers aan de goden. Ze gooiden wierook in het vuur en het offer van een rund waarvan de horens met goud versierd waren, bekroonde de plechtigheid. Slechts Aeson ontbrak bij het dankfeest, want hij was door de ouderdom ondermijnd en bijna stervend.

Daarom zei Jason tot zijn vrouw: "Ik weet dat ik mijn leven aan jou te danken heb, je hebt mij alles al geschonken; al je goede daden overtreffen de trouw die ik van jou mocht verwachten. Maar ik heb nog een verzoek: kun je met je toverspreuken, die toch alles kunnen, van mij wat jaren afnemen en die aan mijn vader geven?" Hij huilde toen hij zijn vraag stelde.

Medea bedacht, ontroerd door zoveel trouwe liefde, hoe zij haar eigen vader Aeëtes was ontvlucht. Zonder die gevoelens uit te spreken zei ze: "Jason, hoe durf je zoiets vreselijks zeggen! Denk je echt dat ik een deel van jouw bestaan kan overbrengen naar een ander? Nee, je vraagt mij te veel; zelfs Hecate zou mij dit niet toestaan. Maar toch wil ik je helpen, en zelfs meer dan je vraagt: ik zal je vader trachten te verjongen door mijn toverkunst. Dit zal gebeuren zonder jou te schaden, als Hecate mij tenminste genadig is bij de uitvoering van mijn plan."

Het duurde nog drie nachten voor de maan haar sikkelpunten tot een hele cirkel sloot, maar toen zij in haar volheid blonk en naar de aarde omlaag keek, verliet Medea het paleis. Blootsvoets, met haar rokken los geplooid en het haar niet opgebonden maar golvend langs de schouders, zocht ze alleen haar weg in het holst van die volkomen stille nacht.

Mensen, vogels en wilde dieren sliepen vredig; overal heerste diepe rust; alleen de sterren fonkelden. Met de armen in de lucht draaide Medea zich driemaal om en besprenkelde driemaal het haar met water dat ze uit een beek had geschept. Ze slaakte drie kreten, knielde op de harde grond en bad:

"O nacht, vriendin van mijn geheimen! Gouden sterrenlicht dat samen met de maan het zonnelicht van de dag vervangt! O Hecate, driehoofdige godin, die getuige is van mijn plan, beschermster van mijn toverkunst en spreuken! O aarde, jij die tovenaars voorziet van krachtig kruid! O lucht en winden, bergen, meren en rivieren! Goden van bos en duisternis, ik vraag jullie allen: sta mij bij! Want als ik dat wou, deed ik met jullie hulp rivieren tussen verbaasde oevers stilstaan en naar hun bron terugvloeien. Ik maak met toverzangen een wilde zee weer kalm, en omgekeerd, ik roep nevels op of jaag ze weg, ik zorg wel of niet voor wind, ik doe kelen van slangen barsten met bezwerende formules. Ik verplaats rotsen, ruk bomen en zelfs hele bossen uit de grond; ik doe bergen sidderen, de bodem kraken en kreunen en ik wek de doden uit hun graf. Ja, zelfs de maan trek ik omlaag, al bezweren koperen bekkens een maansverduistering; zelfs de zonnewagen raakt door mijn spreuken zijn glans kwijt, door mijn sappen kwijnt Aurora. Jullie, goden, hebben dat stierenvuur voor mij bedwongen en die nooit getemde nekken voor het juk van de ploeg doen buigen. Jullie brachten die drakenzonen tot felle strijd en deden de bewaker van het Gulden Vlies, die bewaker die nooit sliep, in slaap vallen; toen die was uitgeschakeld lieten jullie het Gulden Vlies weer naar de Griekse steden gaan. Nu vraag ik jullie om sappen die de grijsheid verjongen tot nieuwe bloei, sappen waardoor de eerste levenshelft opnieuw bereikt wordt. Ik weet dat jullie ze zullen geven, want ik laat de sterren niet voor niets fonkelen, en ik zie niet voor niets de wagen met de gevleugelde draken staan!"

Die wagen was vanuit de hemel naar de aarde afgedaald. Ze aaide het drakenspan over de nek, besteeg de wagen en bewoog licht de teugels; toen werd ze hoog in de lucht meegevoerd. Thessalië en het Tempe-dal lagen diep onder haar. Ze dreef de draken naar welbepaalde bergstreken waar ze kruiden uitzocht: op de hoge Pelion, de Ossa, de Orthris, de Pindus en - zelfs hoger dan de Pindus - de Olympus. Een deel van die kruiden trok ze los met wortel en al, een ander deel sneed ze af met een bronzen mes. Daarna koos ze oevergras uit van de Eridanus, de Amphrysus, de Enipeus, de Peneius en de Spercheius; ook het Boibe-meer droeg met zijn riet-begroeide oevers bij aan haar verzameling kruiden. Tenslotte plukte ze er ook nog wat in Anthedon, bij Euboea, een krachtig kruid - dat werd nadien bekend toen Glaucus in een zeegod veranderde. Zo zwierf ze negen volle dagen met haar wagen, getrokken door dat gevleugeld drakenspan, langs al die oorden. Bij haar terugkomst verloren de draken (die het kruid niet hadden aangeraakt maar alleen geroken hadden) hun oude huid en kregen een nieuwe.

Medea keerde naar huis terug maar ging niet naar binnen: omdat ze nu nog niet met mensen in contact wou komen, bleef ze voorlopig onder de blote hemel. Ze bouwde met graszoden twee offertafels: de rechtse bestemd voor Hecate, de linkse voor Juventa. Nadat ze die met groene twijgen en slingers had bekranst, bracht ze, naast de offertafels en boven de aarde, de vereiste offers. Ze stak twee zwarte schapen een mes in de keel; een stroom van bloed spoot in de open aarde. Dan goot ze - onder een stortvloed van tovertaal - uit een drinkschaal heldere wijn over de dode schapen, daarna halfwarme melk. Toen riep ze de onderaardse machten aan. Ze smeekte Dis en Proserpina dat zij de oude man niet te snel van zijn levensgeesten zouden beroven.

Toen Medea hen met lange gebeden genadig had gestemd, liet ze Aeson (die sterk verzwakt was) naar buiten brengen om te rusten op een bed van gras; ze had hem in een diepe slaap getoverd. Ze gebood Jason en zijn slaven weg te gaan opdat ze haar zwarte kunst niet met hun profane blikken zouden hinderen; ze gehoorzaamden.

Medea liep met wapperende haren om de altaarvuren heen. Ze doopte dunne fakkelstokjes in het zwarte bloed dat zich met aarde had vermengd. Toen de stokjes doordrenkt waren, stak ze die op de altaren aan en trok driemaal een kring van vuur rond de grijsaard. Dit ritueel herhaalde ze met water en zwavel.

Ondertussen kookte ze in een koperen pan een krachtig tovermiddel; het borrelde met een witte schuimlaag. Ze roerde al het groen dat ze in Thessalië had geplukt er doorheen en voegde nog zaden, bloemen en donkere sappen toe. Vervolgens strooide ze er steentjes in uit verre oorden, en oceaanzand dat door eb en vloed was schoongewassen. Dan voegde ze druppels rijp toe die ze 's nachts bij maneschijn had verzameld, en schadelijke nachtuilvlerken waar nog vlees aan zat. Tenslotte deed ze er de ingewanden van een weerwolf bij die zijn dierenlijf maar al te vaak voor dat van een mens verwisseld had; en bij dit alles kwamen verhoornde schubben van een Afrikaanse slang, de lever van een krachtig hert en kop en snavel van een negen generaties oude kraai. Met nog duizend niet te noemen andere dingen werkte Medea aan de uitvoering van haar bovenmenselijk plan.

Ze roerde van de bodem tot de rand met een half rotte tak die ooit vol olijven had gehangen. En kijk: dat oud stuk hout dat in de ketel rondging, werd eerst frisgroen, daarna kreeg het blaadjes en opeens was het weer zwaar van een vracht olijven! Op de plaats waar spetters schuim uit de ketel waren sprongen, was de aarde veranderd in potgrond; bloemen en zacht gewas ontloken er. Zodra Medea dit bemerkte, greep ze haar zwaard en doorboorde ze de keel van de oude man zodat zijn bloed rijkelijk kon wegstromen; in zijn aders goot ze haar toverdrank. Zodra het drankje Aesons lijf was binnengestroomd, werden zijn baard en zijn haar zwart in plaats van grijs, zijn magerte en zijn bleekheid verdwenen en zijn zwakheid was vergeten. Zijn ingevallen wangen werden weer vlezig, zijn ledematen kregen opnieuw kracht. Aeson, blij verwonderd, voelde zich weer dezelfde man als veertig jaar geleden.
 

Bacchus bewondert Medea's kunsten

Dit wonderbaarlijk werk zag Bacchus vanuit de hoge lucht en hij kreeg van Medea gedaan dat ook de leeftijd van zijn nimfen werden verjongd.