Uit LIBER SECUNDUS
 

Kaat D'hooghe

3 LaWi

1996-1997
 

Moeder Aarde vraagt Jupiter om hulp

De geschroeide Aarde, ingesloten door de wegkwijnende oceaan, met uitgedroogde en uitdrogende bronnen en waterlopen, keek smekend naar de hemel terwijl ze haar ogen beschermde tegen het sterke zonlicht, en sprak plechtig tot Jupiter:

"Ik was liever vernietigd geworden door jouw bliksem dan door dit vuur. Want is dit misschien mijn beloning voor al mijn arbeid en vruchtbaarheid, voor het feit dat ik ieder jaar doorploegd wordt en gras laat groeien voor het vee, graan voor de mensen en wierook voor de goden? Neem nu nog aan dat ik een straf verdiend heb, wat heeft dan de zee, jouw broer, jou misdaan opdat het niveau van het water zou zo moeten verminderen? Als je niks om mij geeft of om je eigen broer, denk dan toch tenminste aan je eigen hemel: die brandt al en zal weldra instorten: Atlas kan nauwelijks de gloeiend hete hemelkoepel torsen. Als aarde, zeeën en hemel zullen vernietigd zijn, zal er opnieuw chaos heersen. Red dus wat er te redden valt!"

Toen zweeg de aarde; ze kon van de dorst niet verder praten, maar boog het hoofd en borg het diep in zichzelf, in haar grotten, dichter bij de doden.
 

Jupiter redt het heelal

Jupiter verzekerde de goden - en vooral de god die zijn wagen had uitgeleend - dat alles zou vernietigd worden als hij niet zou ingrijpen. Jupiter klom naar de hemel vanwaar hij gewoonlijk wolken uitzond, de donder liet dreunen en bliksemschichten naar beneden slingerde. Maar nu waren er geen wolken en kon Jupiter het niet laten regenen. Daarom liet hij een donderslag weerklinken en schoot met een wel gemikte bliksemschicht Phaëthon, de wagenmenner, van de zonnewagen. De paarden schrokken, steigerden en rukten zich los van de nu slaphangende teugels; de zonnewagen was herleid tot een hoop verspreid liggende wrakstukken...

Getroffen stortte Phaëthon neer van zijn verbrijzelde wagen terwijl zijn rosse haardos in brand stond. Hij viel in een grote boog door de lucht omlaag, zoals een ster uit een onbewolkte hemel omlaag valt. De Eridanus, een hoofdstroom van het westen, ving hem op in zijn water en waste het roet van zijn gezicht. De waternimfen van het Avondland begroeven zijn nog smeulend lichaam. Het grafschrift luidde: 'Dit is het graf van Phaëthon, de menner van de zonnewagen; hij overleed aan overmoed'.
 

Rouw van de ouders van Phaëthon

De verdrietige vader had zijn hoofd met een sluier bedekt en als wat verteld wordt, waar is, dan is er toen een dag geweest zonder zon. De hevige branden die overal woedden, zouden toen voor licht gezorgd hebben - dit was dan ook het enige nut dat de branden hadden.

Toen Clymene, Phaëthons moeder, alles had gezegd wat bij zo'n ramp gezegd kon worden, ging ze, verdwaasd door verdriet, met een gescheurd kleed in de rouw. Ze zocht de hele wereld af, eerst naar het lichaam van haar zoon, dan naar zijn gebeente. Toen ze dat gevonden had, begraven op een verre kust, knielde ze op het graf neer, liet haar tranen de vrije loop en omhelsde de grafsteen telkens ze de naam van haar overleden zoon las.
 

Rouw van Phaëthons zusters

De rouwende dochters van de zonnegod weenden hartverscheurend om de nutteloze dood van Phaëthon, hun broer, en sloegen zich klagend op de borst. Zij riepen elke dag opnieuw de naam Phaëthon zonder dat hun geroep ooit werd beantwoord, en ze knielden wenend bij zijn grafsteen neer.

Maanden later, toen ze zoals gewoonlijk hun rouwklacht uiten, wou Phaëthusa knielen op de grond, maar klaagde dat haar voet vast zat. Toen Lampetia wou helpen, zat ook zij al met wortels aan de grond vast en toen de derde zuster in wanhoop haar haren wou vastgrijpen, rukte ze bij zichzelf blaadjes af. Ze kermden dat hun benen ingesloten werden door een fijne stam, dat hun armen takken werden...

Terwijl ze hulpeloos toekeken hoe ze langzaam in bomen veranderden, riepen ze hun moeder om hen te komen helpen. De geschrokken moeder probeerde haar dochters een voor een te helpen en hen voor de laatste keer te omhelzen. Ze poogde hen zelfs los te rukken van de stam die hen begon te omsluiten, maar toen ze dat deed, brak ze dunne takjes af. Uit die wonden vloeiden druppels rood bloed... De in bomen veranderde dochters gilden en riepen: "Spaar mij toch, moeder, ik ben het die in de vorm van deze boom door jou gefolterd word!" Ze wilden nog afscheid nemen maar de schors deed hun laatste woorden verstommen. Sindsdien druppelen hun tranen omlaag en dat vocht stolt in het zonlicht tot barnsteen.
 

Cycnus verandert in een zwaan

Cycnus, de zoon van Sthenelus, was getuige van dit wonder. Hij was familie van Phaëthon aan moeders kant en een echte vriend. Hij had zijn volk, de Liguriërs, verlaten en leefde nu in rouw aan de oevers van de Eridanus, in het bos waar de dochters van de zon als barnsteenbomen stonden. Daar verloor hij zijn stem en witte veren vervingen zijn haren. Hij kreeg een lange nek en tussen zijn tenen groeiden zwemvliezen. Veren bedekten zijn lichaam en in de plaats van zijn mond kreeg hij een stompe snavel. Cycnus was een zwaan geworden die niet te hoog durfde vliegen uit angst voor Jupiters bliksem. Hij bleef dus veilig in het ondiepe water en bouwde zijn nest op de oever van de rivier.
 

De Zon wil niet meer schijnen

De zon, vader van Phaëthon, had in die periode van rouw zijn glans verloren en het was even donker als bij een zonsverduistering. Hij verafschuwde zichzelf en wou door zijn verdriet, dat hij mengde met al zijn haatgevoelens, nooit meer schijnen.

"Al die jaren heb ik dit eindeloos werk verricht! Nu mag een ander het eens overnemen, dat rijden met de zonnewagen, en als geen enkele god het aandurft, dan moet Jupiter zelf het maar doen. Als Jupiter de zonnepaarden ment, zal hij geen tijd hebben om met bliksems te gooien en zo een vader van zijn zoon te beroven. Als hij de inspanning ervaart die nodig is om die paarden te kunnen mennen, zal hij wel aanvaarden dat slecht mennen nog geen reden is om gedood te worden!"

Na deze woorden vormden de goden een kring rond de Zonnegod en smeekten hem om de zon opnieuw te laten schijnen. Jupiter bood zelfs zijn verontschuldigingen aan voor het slingeren van de bliksem die Phaëthon gedood had, maar sprak ook dreigende taal, zoals een oppergod betaamt. Toen spande de Zonnegod toch maar zijn paarden in en zweepte er, verdrietig en verblind door de razernij, fel op los, want hij verweet hen nog altijd de dood van zijn zoon.
 

Na de ramp van Phaëthon inspecteert Jupiter de wereld

Jupiter inspecteerde de hemel en keek of er iets door het vuur vernield was. Toen hij zag dat alles nog in goede staat was, inspecteerde hij ook de aarde en de huizen van de mensen. Maar het meest van al was hij beducht voor wat er in zijn eigen streek, Arcadië, gebeurd was. Daar deed hij bronnen en rivieren opnieuw stromen; hij deed het gras opnieuw groeien en de bomen opnieuw bloeien. En de aangetaste natuur bloeide weer open.