Uit LIBER QUINTUS
 

Jonathan Verstraete

3 LaWi

1997-1998
 

Meer en meer mannen sneuvelen...

Ook Melaneus, een van Perseus' mannen, en Dorylas, de rijkste herenboer van Afrika, werden neergeslagen. Dorylas was zo rijk aan land dat niemands grondbezit ooit uitgestrekter is geweest; geen man kon zijn stapels wierook evenaren. Een speer, van opzij geworpen, doorboorde zijn onderbuik. Toen zijn aanvaller, Halcyoneus van Bactra, zag hoe hij de doodssnik gaf en met de ogen rolde, riep hij: "Val maar neer! Dit plekje is wat je rest van zoveel land!" en liet hem stervend achter. Toen nam Perseus wraak: snel trok hij de speer uit de nog warme wonde en slingerde hem terug naar de dader. De speer schoot dwars door de neus van Halcyoneus, doorboorde zijn nek en stak met voor- en achterkant naar buiten.

Ook Clytius en Clanis velde hij, twee broers met dezelfde moeder maar beiden met een verschillende doodsstrijd. Perseus dreef met zijn sterke arm bij Clytius een zware lans door zijn beide dijen, Clanis kreeg een speer tussen zijn kiezen dwars door zijn hoofd. De volgende die aan de beurt was, heette Celadon van Mendes. Ook Astreus, de zoon van een Palestijnse vrouw en een onbekende vader, viel dood neer; Aethion, voordien een knap profeet maar nu misleid door een valse voorspelling, werd eveneens afgemaakt. Ook Thoactes, de wapendrager van de koning, en de beruchte Agyrtes, een vadermoordenaar, ondergingen hetzelfde lot.
 

Perseus tegenover een overmacht

De strijd werd nog heviger: allen richtten hun woede op een tegenstander. Eensgezind viel men hem van alle kanten aan op Perseus voor een zaak waarin geen eer behaald kon worden (daarvoor was de oorzaak van de strijd te gemeen). Cepheus kwam tevergeefs voor zijn schoonzoon op. Ook Andromeda en Cassiope kozen zijn kant. Hun geween klonk door de zaal, gesmoord in wapengekletter en doodsrochel, terwijl de krijgsgodin Bellona de paleispenaten bezoedelde met stromen bloed en steeds aanvuurde tot nieuwe strijd. Phineus en zijn talloze wapenbroeders dromden samen rondom Perseus.

Vlak naast diens ogen en oren hagelde het projectielen van links en rechts. Perseus zocht met zijn schouders en zijn rug steun tegen een grote zuil en met die dekking keerde hij zich tegen de horde voor hem en pareerde hun aanvallen. Molpeus, een Chaoniër, viel aan van links terwijl Echemnon van rechts op hem afkwam. Zoals een tijgerin soms van twee kanten het geloei van twee kudden hoort - wat haar honger nog verdubbelt - en dan niet weet op welke prooi ze het eerst moet afgaan omdat ze beiden samen wil verscheuren, zo twijfelde Perseus om links of rechts toe te slaan. Gelukkig wist hij eerst Molpeus weg te jagen met een steek dwars door zijn been, want Echemnon gunde hem geen respijt. Die stormde op Perseus af met de bedoeling hem het hoofd af te hakken, maar sloeg zijn zwaard met een wat ondoordachte uithaal tegen de zuil in stukken. De kling brak af, sprong terug en doorboorde keel van de man die toegeslagen had. Maar de niet zo diepe wond kon de doodsoorzaak niet zijn en toen de man sidderend zijn krachteloos wordende armen wou opheffen, doorstak Perseus hem met zijn zwaard.
 

Perseus gebruikt het ultieme wapen

Toen Perseus merkte dat zijn krachten gingen tekortschieten tegen zoveel tegenstanders, riep hij uit: "Jullie dwingen mij hulp te zoeken bij mijn eigen vijand! Diegenen die mij hier goedgezind zijn, moeten hun ogen nu richten op mij", en hij stak Medusa's hoofd naar voren.

"Zoek een ander die jouw praatjes wil geloven!" riep Thescelus, zijn arm geheven om Perseus met een speer te doden - en in die houding verstarde hij tot een marmeren standbeeld. Vlak na hem viel Ampyx aan, het zwaard gericht op Perseus' onverschrokken hart, maar midden in die aanval verstijfde zijn arm; hij kon hem noch vooruit noch achteruit bewegen.

Nileus, die beweerde dat de Nijl, de god met zeven stromen, zijn vader was en op zijn schild dan ook het beeld droeg van zeven stromen (die deels in goud en deels in zilver waren gesmeed), riep luid: "Hier, Perseus, bekijk eens goed van wie ik afstam! Een grote troost kun je meenemen naar de stille onderwereld: je bent gedood door een grote held...", maar reeds dat laatste woord werd in zijn eigen klank gesmoord; zijn open lippen leken nog te willen spreken maar konden geen woorden meer vormen.

Scheldend schreeuwde Eryx hen toe: "Het is niet door het toedoen van Gorgo's macht dat jullie zo verstijven maar uit lafheid. Kom maar mee, dan slaan wij hem wel neer, die vijand met zijn toverwapens!" Hij wou de aanval inzetten, maar kon zich niet meer verroeren; hij bleef een steenklomp, een gewapend, onbeweeglijk beeld.

Zij kregen allen hun verdiende loon. Aan Perseus' kant was er een man, een zekere Aconteus, die al vechtend het ongeluk had de Gorgo aan te kijken en zo ook in steen veranderde. Daarop trof Astyages, niet merkend dat Aconteus niet meer leefde, hem met zijn slagzwaard; het gaf een luide, metalen klap. Verbaasd daarover kreeg Astyages eenzelfde starheid en die verbazing bleef gegrift in zijn stenen gezicht.

Het duurt te lang om iedereen van minder hoge afkomst die daar meestreed, op te noemen. Tweehonderd man waren nog steeds in de strijd en nog eens tweehonderd man waren door die Gorgo-blik bevroren. Dan pas kreeg Phineus spijt over zijn ondoordachte aanval, maar wat moest hij doen? Vlak naast hem zag hij allerlei gestalten die zijn eigen mannen waren geweest. Hij riep ze bij hun naam en smeekte hen om hem te helpen; hij raakte, zonder zelfvertrouwen, even zijn makkers aan - ze waren van steen!

Hij wendde zich af, hief zijn handen berouwvol, smekend omhoog, afgekeerd van die Gorgo, en riep tot Perseus: "Goed, jij wint, maar stop dat monsterhoofd weg! Weg, die verstenende ogen van Medusa, wie zij ook mag zijn! Weg, ik smeek je! Niet uit haat of machtsbegeerte ging ik de strijd aan, nee, het was mijn bruid voor wie ik vocht. Ik had de oudste rechten, jíj, haar redder, hebt de sterkste rechten. Het deert mij niet te moeten wijken voor de sterkste, maar laat me mijn leven, iets anders vraag ik niet. Jij krijgt de rest..."

Terwijl hij die woorden sprak, durfde hij de man tot wie hij smeekte niet aan te kijken. Perseus zei hem: "Phineus! Lammeling! Ik geef je wat ik je kan geven. Wees niet bang, geen wapen zal je verwonden. Meer nog: ik maak een eeuwigblijvend standbeeld van je, dat voorgoed te kijk zal staan in paleis van mijn schoonvader! Dan kan mijn vrouw zich troosten met het beeld van haar vroegere verloofde..." en met die woorden hield hij het Medusahoofd vlak voor het angstige en van hem afgekeerde gelaat van Phineus. Die probeerde nog het hoofd te wenden, maar zijn nek was al verstijfd, het vocht van zijn ogen was al steen geworden. En in die steen kon je zijn bange blik en smekend gebaar blijven zien, zoals ook in zijn handen en houding zijn onderdanigheid zichtbaar bleef.

Na die zege kwam Perseus met zijn vrouw in Argus aan, zijn vaderstad. Hoewel Acrisius deze weldaad niet verdiend had, nam Perseus, als kleinzoon van Acrisius, wraak op Proetus, die zijn broer Acrisius met wapens had weggejaagd en diens burcht bezet hield - tot eigen ongeluk, want burcht noch wapens hielpen Proetus tegen de wrede blik van het slangenrijke Gorgo-monster.
 

Perseus straft Polydectes

Polydectes, die over Seriphus regeerde, was niet geïmponeerd door Perseus' heldhaftigheid of tegenslagen. Onvermurwbaar streng koesterde hij zijn haat, zijn redeloze woede kende geen grenzen. Hij smaalde op Perseus' roem en beweerde zelfs dat de dood van Medusa gelogen was... "Dan zal ik jou de waarheid laten voelen!" riep Perseus. "Wend je ogen af!" schreeuwde hij naar de anderen, en met Medusa's hoofd liet hij die koning tot een bloedloze steen verharden.