Uit LIBER UNDECIMUS
 

Joke Bouckaert

3 LaWi

1999-2000
 

Peleus bij koning Ceyx

Gezegend met die zoon en met zijn vrouw zou Peleus nu een man zijn geweest die in alles zou geslaagd zijn, als je de moord op Phocus niet meetelt: omdat hij schuldig was aan die broedermoord, was hij uit zijn eigen land verbannen. Zo was hij Trachis terechtgekomen, waar een vreedzame en menslievende zoon van Lucifer regeerde. Het was een man die dezelfde lichtglans als zijn vader uitstraalde: koning Ceyx.

Maar op het ogenblik van Peleus' aankomst was Ceyx niet zichzelf; hij was in rouw omdat zijn broer hem ontnomen was. Peleus was doodmoe door de lange reis en voelde zich door schuld gekweld. Toen hij met zijn klein gezelschap door de poort gegaan was (het vee dat hij bij zich had, had hij immers in een beschaduwd dal buiten de stad gelaten) en toen de koning hem tenslotte ontvangen had, begon Peleus te smeken. Hij vertelde wie zijn vader was maar verzweeg de moord die hij gepleegd had (de ware reden van zijn vlucht!); hij vroeg aan de koning gastvrijheid binnen de stad of in zijn land. Vriendelijk zei Ceyx: "Peleus, ook minder hoge mensen heet ons goede land welkom. Ik regeer niet over een ongastvrij gebied en afgezien daarvan zijn je wijdbekende naam en je afkomst van Jupiter sterke punten. Smeek daarom niet langer, je krijgt hier alles wat je vraagt; beschouw alles wat je hier ziet als het jouwe. Alleen zie je het nu niet op zijn best..."

Hij barstte in tranen uit. Toen Peleus en zijn mannen vroegen wat hem zo'n groot verdriet deed, deed hij zijn verhaal.
 

Ceyx' verhaal

"Die vogel ginds, die leeft van roof en voor de meeste vogels een bron van angst is, droeg niet altijd vleugels. Eens was hij een mens, maar een die wel al kenmerken van een vogel had. Hij was ook toen al vechtlustig en fel, en stond gauw met zijn vuisten klaar: zo was Daedalion. Daedalion en ik mogen broers zijn, en zonen zijn van Lucifer die elke dag Aurora wekt en als laatste de sterrenlucht verlaat, toch ben ik een man die houdt van vrede, rust en harmonie terwijl mijn broer altijd uit was op oorlog. Zijn vechtershart, dat nu binnen in een vogel paniek zaait bij Thisbe's duiven, heeft ooit menig koningshuis en volk de daver op het lijf gejaagd.

Daedalion had een wondermooie dochter, Chione, die wel duizend vrijers had. Ze was veertien jaar en dus huwbaar. Toevallig kwamen op een dag Apollo vanuit Delphi en Mercurius van de Cyllene-berg langs haar huis. Apollo en Mercurius zagen Chione en werden allebei verliefd op haar... Apollo stelde zijn hartsverlangens uit tot middernacht, maar Mercurius wachtte niet: met zijn staf streek hij haar ogen in slaap. Ze lag in een hemelse betovering en stond de god zijn lusten toe. Maar 's nachts, bij een volle sterrenhemel, verkleedde Apollo zich als een oude dienares en vierde zijn lusten bot.

Na negen maanden baarde Chione twee zonen. Voor de god die vleugelschoenen draagt, bracht ze een slimmerik ter wereld, Autolycus. Hij was sluw in elke soort diefstal, iemand die niets anders deed dan wit naar zwart en zwart naar wit verdraaien: een echte zoon van zijn vaders kunsten. Voor Apollo baarde ze Philammon, hoog geprezen om zijn citerspel en zangkunst.

Maar is bemind worden door twee goden, het baren van twee zonen en zelf een kleinkind zijn van Lucifer een voordeel? Werkt die roem soms niet verkeerd? Voor velen wel en zeker ook voor haar. Zij immers waagde het Diana te kleineren en geringschattend te spreken over haar schoonheid. Daardoor werd Diana woedend en riep: 'Kan ik je soms een plezier doen met daden?' Ze richtte onmiddellijk haar boog en schoot een rieten pijl in de tong die dat verdiend had en ook dadelijk zweeg. Geen klank, geen woord kon Chione ondanks haar verwoede pogingen, nog uiten. Met haar bloed week ook haar leven...

Hoe droevig heb ik toen mijn broer omarmd, hoe voelde ik in mijn hart dat vaderlijk verdriet! Ik sprak hem in zijn verdriet troostende woorden toe, maar troost had op hem het effect van water op een dam. Hij klaagde voort om zijn verloren dochter en toen hij haar zag verbranden, wilde hij zich tot viermaal toe zelf in de vlammen storten. Viermaal werd hij tegengehouden; toen sloeg hij verwilderd op de vlucht. Zo woest als een jonge stier die, met zijn kop omlaag, opgejaagd wordt door horzelsteken, zo rende hij voort, zelfs waar er geen pad was...

Toen al vond ik dat hij niet meer liep als een mens; je zou gedacht hebben dat zijn voeten vleugels kregen. Hij ontliep ons allemaal. Voortgestuwd door doodsverlangen klom hij naar de top van de Parnasus. Toen hij daar van een hoge rots sprong, kreeg Apollo medelijden met hem. Hij liet hem plotseling op vleugels zweven en maakte van hem een vogel met een snavel, met kromme nagels en met een meer dan grote lichaamskracht, maar zijn oude vechtlust had hij behouden. Als havik jaagt hij nu nog steeds op al wat vliegt. Door altijd wreed te zijn voor anderen, brengt hij nu verdriet omdat hij zelf verdriet had."
 

Peleus' straf voor broedermoord

Terwijl de zoon van Lucifer dit wonderlijk verhaal over zijn broer vertelde, kwam de opzichter van de kudden buiten adem van het lopen aangerend en stamelde: "Peleus! Peleus! Ik heb grote rampen te melden!" Peleus gebood de man te spreken, wat die grote rampen ook mochten zijn. Ondertussen luisterde ook Ceyx angstig naar het verhaal.

"Ik had de kudden in een lome gang naar het kronkelende strand gebracht. Het was ongeveer middag; veel dieren lage op het zand en staarden uit over de uitgestrekte zee. Een deel wandelde traag heen en weer en sommigen zwommen met hun kop hoog boven het water uit. Bij dat strand ligt een tempel, die niet om zijn goud of marmer bekend is; hij steunt op zware zuilen en is omringd door een oeroud bos. In die tempel is Nereus met zijn Nereïden thuis, want een visser die op die kust zijn netten uithing, zei mij dat Nereus hun zeegod is.

Niet ver daarvandaan is er veel moerasgrond door het binnenlopend zeewater; alles is er vol gegroeid met wilgen. Op die plaats brak opeens zo'n lawaai los dat de hele buurt ervan opschrok. Dat lawaai werd veroorzaakt door een reusachtige wolf. Besmeurd met modderig slib viel hij ons aan. Hij had een bliksemende muil die vol hing met speeksel en slierten bloed; zijn blik was doortrokken van rossig vuur, maar zijn razernij was nog het ergste. Hij wou duidelijk niet alleen met runderen zijn lege maag vullen, hij viel ook het kleinvee aan. Elk dier binnen zijn bereik werd op een wrede manier door hem geveld. Toen we hem wilden vangen, raakte ook een deel van onze mensen gewond, en enkelen werden doodgebeten. Alles zag rood van het bloed: het strand, het water; het moeras weergalmde van het gekerm van dieren. Maar praten alleen volstaat niet! De toestand laat geen getreuzel toe! Zolang er nog iets te redden valt, moeten we er gewapend heen gaan. Grijp daarom de wapens en help ons bij de wolvenjacht!"

Niet de slachting zelf deed Peleus schrikken, maar de gedachte dat deze ramp een dodenwraak was, gestuurd door Phocus' moeder (een dochter van Nereus) omdat hij, Peleus, haar zoon had gedood. Koning Ceyx had zijn mannen al te wapen geroepen, had scherpe pijlen laten brengen en stond zelf klaar om te gaan toen zijn vrouw Alcyone, ongerust door al dat rumoer, het huis uitrende. Ze was niet eens klaar met haar kapsel! Met haar armen om zijn nek smeekte ze haar man om niet aan de redding mee te doen. Huilend vroeg ze hem om te denken aan hun leven samen. Peleus stelde haar gerust: "Je vrees, vorstin, is mooi en edel, maar wees niet bang. Ik ben je echt dankbaar voor je bezorgdheid, maar ik ben niet van plan dat mysterieus ondier te bestrijden. Wat ik moet doen, is offeren aan een zeegodin."

Hoog bij de stad stond er een vuurtoren, een welkomstteken voor schepen die veel hebben afgezien. Die toren bestegen Ceyx, Alcyone en Peleus. Ontzet aanschouwden ze de slachting van de runderen op het strand en bemerkten ook de slachter met bloed rond zijn bek en in de lange haren van zijn vacht. Met zijn handen naar de open zee gericht bad Peleus tot de zeegodin Psamathe, om haar wrok te staken en hulp te bieden. Maar zij liet zich niet vermurwen door Peleus' smekende stem.

Pas toen Thetis, Peleus echtgenote, mee smeekte, toonde Psamathe medelijden en gebood ze de wolf zijn moordlust te staken. Maar omdat de zoete smaak van bloed in hem voortraasde, werd hij, nog kauwend aan een stuk gereten runderschouder, in steen veranderd. Zijn lichaam bleef gelijk, maar zijn kleur, de kleur van marmer, was een bewijs dat hij nu geen wolf meer was en dat men dus niets meer te vrezen had.

Toch was het Peleus niet gegund in dat land als balling te blijven wonen. Zwervend kwam hij aan in Magnesia waar de Thessaliër Acastus hem van zijn bloedschuld reinigde.