Uit LIBER DUODECIMUS
 

Joachim Haezebrouck

3 LaWi

2000-2001

De rol van Hercules in de strijd tussen Lapithen en centauren

Nestor sprak van de strijd tussen de Lapithen en de centauren. Maar Tlepolemus, boos dat hij zijn vader niet genoemd had, tekende bezwaar aan: "Het is merkwaardig, oude man, dat jij het roemvol aandeel van Hercules verzwijgt. Mijn vader heeft mij vaak verteld hoe hij dat wolkenvolk van centauren heeft bedwongen."

Bedroefd antwoordde Nestor: "Waarom dwing je mij die narigheid weer op te halen, de geheelde pijn opnieuw te voelen en over mijn haatgevoelens tegenover jouw vader en zijn krenkingen te spreken? Ik weet dat hij de hele wereld ongelofelijke diensten heeft bewezen – ik zou het graag ontkennen! – maar wie gaat zijn vijand prijzen? Ik breng toch ook geen loflied op Troje, zelfs niet op Hector! Jouw vader Hercules heeft ooit de muren van Messene verwoest, burchten in Elis en in Pylos onverdiend geplunderd. Hij heeft ook mijn paleis te vuur en zwaard veroverd… Zonder de anderen op te sommen die hij heeft gedood – wij, Neleus’ zoons, vormden een dubbel zestal, jong en stralend, maar heel dat dubbel zestal viel door Hercules’ geweld, alleen ik niet. Dat hij mijn broers de baas was, is op zich wel voorstelbaar, maar toch… de dood van Periclymenes was vreemd: die kon immers elke vorm aannemen die hij maar wou.

Neptunus, Neleus’ vader, had hem dat geleerd. Dus, na van alles geprobeerd te hebben, nam hij de vorm aan van de vogel die de oppergod zo dierbaar is en die vaak zijn bliksems in zijn klauwen draagt. Met zijn vogel kracht had hij Hercules’ gelaat met zijn nagels, snavel en vleugels stuk gereten. De held uit Tiryns richtte zijn boog voor een onfeilbaar schot en raakte hem, juist terwijl hij tussen hoge wolken wegvloog, in de flank waar de vleugel aan de schouder zit. Het was geen diepe wonde maar omdat de pees doorgesneden was en niet meer werkte, had hij geen kracht meer in zijn vleugels. Hij stortte hulpeloos neer, met lamme vleugels; de pijl hing losjes in zijn veren maar drong zijn lichaam binnen door de schok, dwars door zijn linkerborst en bleef midden in zijn keel steken. Zeg me, jij brave admiraal van Rhodos’ vloot, ben ik dan de man die de daden van Hercules moet verheerlijken? Mijn broederwraak bestaat alleen maar uit het niet vermelden van zijn prestaties! Mijn respect voor jou blijft echter bestaan."

Zo klonk het welbespraakte antwoord van de oude Nestor en toen de wijnkruik weer was rondgegaan, stonden zij op om van een goede nachtrust te genieten.

Achilles wordt gedood

De zeegod die de watervlakten met zijn drietand temt, treurde in zijn vaderhart omdat Cycnus in een zwanenlichaam was veranderd. Hij haatte Achilles om zijn wrede kracht en koesterde wraakzucht in zijn hart, wat meer dan redelijk was. Toen de Trojaanse oorlog bijna tien jaar had aangesleept, sprak hij tot zijn langgelokte neef Apollo:

"Van alle zonen van Jupiter geef ik het meest om jou; met jou bouwde ik ook de muren van Troje – wat wel zinloos was, want als je nu de stad ziet aan de rand van de ondergang, zou je dan niet kunnen huilen? En al die doden die hun stadsmuur verdedigden – doet jou dat geen verdriet? Plaagt Hectors schim – een van de velen – jouw geweten niet sinds hij rond Troje werd gesleurd terwijl Achilles, die woeste Griek die wreder is dan oorlog zelf en onze muur vernielt, nog leeft? Als ik hem zou ontmoeten, zou hij voelen wat ik met mijn drietand kan; maar omdat ik zelf geen slagveld op mag rennen, moet jij hem doden, onverwachts, met een verborgen pijl."

Apollo knikte. De wraaklust van zijn oom was ook de zijne. Gehoorzaam hulde hij zich dus in een nevelkleed en mengde zich onder de Trojanen. Midden op het slagveld zag hij Paris, die wat lukraak stond te schieten naar naamloze Grieken. Zich als godheid openbarend zei Apollo: "Verspil geen pijlen aan soldatenbloed! Mik op Achilles als je om Troje geeft en wraak wilt voor je dode broers!" en hij wees op Peleus’ zoon die juist een rij Trojanen neermaaide.

Apollo draaide Paris met zijn boog de goede kant op en richtte de pijl voor een doeltreffend en noodlottig schot. Als ooit na Hectors dood de oude Priamus kon lachen, dan was dat nu: Achilles zelf, de held die altijd won, was door die laffe Griekse-vrouwenrover neergeschoten! Als hij dan toch moest sterven in een onmannelijke strijd, had hij bepaald Penthesileia’s dubbelbijl verkozen!

Achilles onsterfelijke roem

Hij die de schrik van Troje en de trots en trouwe beschermer van de Grieken was geweest, de kleinzoon van Aeacus, de ontembare leider, werd gecremeerd. De god die eerst zijn wapens had gesmeed, bracht nu het vuur… Nu was hij as. Achilles, eens zo machtig, was nu een nietig hoopje dat niet eens een grafurn vulde. Toch leefde zijn roem zo hoog dat hij de wereld rondging en in zijn omvang recht deed aan Achilles.

Ajax en Odysseus eisen Achilles’ wapens op

Zelfs Achilles’ schild, dat kennelijk wou laten zien van wie het was, riep strijd op: wapens vochten om Achilles’ wapens. Wie eiste ze op? Geen Diomedes, geen Agamemnon, geen Menelaus, geen ander die dat waagde; alleen Ajax, de zoon van Telamon en Odysseus, de zoon van Laërtes, toonden zoveel eigendunk en eerzucht. Agamemnon schoof de lastige beslissing van zich af en vermeed wrok door de Griekse leiders in het scheepskamp bijeen te roepen tot een scheidsrecht: zij moesten beslissen wie de wapens kreeg!