Uit LIBER UNDECIMUS
 

Jasper Ugille

3 LaMt

1999-2000
 

Ceyx en Alcyone

Intussen maakten Daedalions gedaanteverwisseling en wat daarna gebeurde Ceyx diep ongerust. Hij wou een orakel raadplegen - wat een mens vaak steun biedt - en daarom wou hij het heiligdom van Apollo in Clarus bezoeken: Delphi werd onveilig gemaakt door de roverstroep van Phorbas en zijn Phleghyërs. Hij bracht zijn trouwe Alcyone op de hoogte van zijn voornemen. Onmiddellijk voelde die een intense koude rilling over haar rug kruipen; ze werd lijkbleek, haar gelaat betrok en tranen biggelden over haar wangen. Driemaal wou ze iets zeggen, driemaal stokte haar stem in haar keel.

Daarna brak ze snikkend maar liefdevol in klachten uit: "Wat heb ik je misdaan, mijn liefste? Waar haal je dat idee? Waar is die liefde van jou waarvoor alles moest wijken? Kun je nu met gerust gemoed weggaan? Mij, Alcyone verlaten en ver op reis gaan? Hou je ver van mij soms meer van mij? Natuurlijk reis je ook over land en dan zal ik treuren, niet vrezen. De zee daarentegen verschrikt me, het trieste beeld van de golven...Want laatst zag ik nog het wrak van een schip, en hoe vaak las ik op een schip geen namen van vermisten! Nee! Ik sta niet toe dat je bedrieglijke hoop koestert omdat je de schoonzoon bent van Aeolus, de god die windkracht temt en golven kan kalmeren wanneer hij dat maar wil. Maar als zijn winden vrijgelaten worden en de zee beheersen, zijn ze niet te houden; al wat land is en heel de zee valt hun ten prooi; ze plagen zelfs de wolken aan de hemel en slaan er met harde botsingen vurige bliksems uit. Ik ken de winden want ik zag ze als kind in mijn vaders huis; ik zie alleen maar gevaar. Mijn lieve man, als mijn smeekbede niets uithaalt en je blijft ondanks mijn woorden vastbesloten te gaan, neem me dan mee. Dan dolen we tenminste samen rond en kan ik voelen wat ik vrees. Samen kunnen we dragen wat komt, samen kunnen we de zee trotseren..."

Alcyone maakte met haar klagende woorden indruk op haar man; zijn liefde was immers niet minder dan de hare. Maar hij wou niet van zijn voorgenomen reis afzien en evenmin Alcyone in gevaar brengen. Vandaar dat hij troostende woorden sprak om haar angst weg te nemen, maar overtuigen kon hij haar nog niet. Alleen deze woorden vermurwden haar: "Voor ons duurt elke scheiding lang, dat weten we allebei, maar ik zweer bij Lucifer, mijn vader, dat - als het lot me wil sparen - ik terug ben voor de tweede volle maan."

Na deze belofte die haar hoop gaf op een behouden vaart, beval hij snel het schip in zee te trekken en van tuig en zeilen te voorzien. Alcyone voelde, toen ze daarnaar keek, weer een rilling als kon ze in de toekomst kijken. Ze liet haar tranen stromen, omarmde Ceyx en fluisterde hem diep ongelukkig een somber vaarwel toe. Ze stortte zich languit op de grond en Ceyx mocht nog overwegen zijn vertrek uit te stellen, maar de jonge roeiers die twee rijen sterk waren, trokken de riemen steeds tot aan de borst en lieten ze met gelijke slag over de golven scheren.

Eenzaam keek ze door haar tranen op en zag ze hem op het achterdek staan. Eerst zag ze hoe haar gemaal haar met wuivende armen afscheid wenst, en ze wuifde nog terug. Toen werd ze op de kust steeds kleiner voor hem en kon ze hem ook niet meer onderscheiden. Daarom hield ze, zolang het kon, het snel verdwijnende schip in het oog. Toen ook de romp door de grote afstand onzichtbaar werd, zag ze alleen nog maar het zeil wapperen. Pas toen het zeil uit het zicht was, ging ze naar zijn lege kamer en wierp zich ongerust op het bed. Dat bed deed het verdriet van Alcyone groeien en liet haar nog meer beseffen wat ze miste.
 

Ceyx's lot

Ze waren buitengaats en de wind blies de touwen strak. De roeiers laten de riemen rusten, trokken ze in en takelden de ra naar de hoogste stand. Ze hesen het zeil om de winden beter op te vangen. Het schip sneed door het water en was al halfweg - zeker niet verder, nergens kust te zien, niet voor, niet achter - toen plots de zee tegen de avond met hoge golven en witte schuimkoppen begon te kolken en een felle storm kwam opzetten.

"De bovenra omhoog! Onmiddellijk!" bulderde de stuurman "Snel! Strijk het zeil! Binnenhalen!" Zo luidden zijn orders, maar de tegenwind overstemde zijn woorden en het beuken van de zee op de scheepswand deed elk geluid verstommen. Toch trokken ze spontaan de riemen binnen en stopten de gaten van de roeiriemen dicht; ze zorgden ervoor dat de wind geen kans meer kreeg om in het zeil te blazen. Anderen hoosden of haalden snel de ra omhoog.

Terwijl dit bijna automatisch werd gedaan, zwol het noodweer aan: van overal vielen de winden aan en zweepten boze golven op. De angstige stuurman moest toegeven dat hij niet meer wist wat goed was voor het schip; daar was geen stuwmanskracht tegen opgewassen. Alleen al het lawaai: geschreeuw van mensen, gekraak van touwen, gebeuk van golf na golf en het gedonder in de lucht. De zee verhief zich met al haar water, ze leek wel tot in de hemel te reiken en stuk te spatten op het lage wolkendek. Soms was het water zandkleurig als de boden werd omgewoeld; nu eens was het zwarter dan dat van de Styx, dan weer strekte het zich uit als een wijde, wit-bruisende vlakte.

Het schip voelde die wisselingen ook aan en leek de ene keer als van een hoge bergtop in diepe dalen neer te kijken tot in de Acheron, om daarna, neergesmakt binnen een krater van kolkend water uit helse diepten op te kijken naar de verre lucht. Telkens kreunde en kraakte het luid, wanneer de wand werd aangebeukt door de golven - even hard als wanneer een vestingmuur door een katapult of stormram wordt neergehaald. Zoals woeste leeuwen met gebalde kracht de uitdagende speren van jagers aanvallen, zo deed ook de zee: door samenspel van winden opgezweept, viel ze steeds op de scheepswand aan en torende er vaak hoog boven uit: houtpennen werden losgeslagen, balken werden uit elkaar geduwd en lieten het noodlottige water binnenstromen.

En kijk, toen stortte er uit de wolken zoveel regen neer dat je zou denken dat de lucht in het water viel of dat de opgezweepte zee tot in de hemel reikte. De zeilen waren nu doorweekt, water en hemel schenen in elkaar te lopen, aan de lucht waren geen sterren meer te zien, een blinde nacht lag over alles heen. Soms knetterde er een bliksemschicht en dat verschafte wat licht. Het water stond al hoog in het ruim van het schip en paniek overviel de opvarenden, net zoals bij een aanval op een stadsmuur een van de strijders - de moedigste van allemaal - steeds weer een aanval waagt en eindelijk zijn hoop vervult ziet (als eerste man van al die duizenden bezet hij de muur); zo deden ook de golven: wel negenmaal raakten ze de schepswand, tot een tiende, nog veel grotere vloedgolf kwam aanrollen en het schip kon binnendringen.

Aan boord voelden allen een panische angst opkomen, alweer net zoals bij een stadsmuur waar de vijand aan het graven is; daarbinnen houdt men nog even stand, maar vechtlust biedt geen uitkomst meer en de wanhoop stijgt, de dood valt aan en lijkt even vaak binnen de stad binnen te dringen als die golvenzee het schip binnendrong.